Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige wijze niet in overeenstemming zijn met het begrip merk, zooals dat uit art. 3 lid 1 wordt afgeleid (inschrijving van collectieve merken is echter nooit geweigerd op grond van het collectieve karakter, ofschoon dit zeer zeker geen merken zijn als bedoeld in art. 3; vgl.blz. 105).

Een evenmin in art. 9 genoemde weigeringsgrond, ligt opgesloten in de bepaling van art. 3bis, t.w. dat één inschrijving niet mag plaats hebben ten name van meer dan één rechthebbende, die niet gezamenlijk gerechtigd zijn tot de fabriek of handelsinrichting, tot onderscheiding van welker waren het merk bestemd is. Dat het Merkenbureau ten aanzien van deze bepaling toetsingsrecht heeft, blijkt uit art. 3bis lid 2, volgens hetwelk het bewijs van gezamenlijke gerechtigheid door het Merkenbureau verlangd mag worden. Wordt dit niet geleverd, dan zal inschrijving niet kunnen volgen *).

Sebruik. Thans een enkel woord over het gebruik van het merk.

Onder gebruik is niet alleen te verstaan het in den handel brengen van de van het merk voorziene waar, maar bovendien — en dit geldt natuurlijk in het bijzonder voor woordmerken — iedere handeling of gedraging, tengevolge waarvan goederen ter onderscheiding van die van anderen onder dien naam worden aangeduid of gekenmerkt, b.v. door vermelding in advertenties, brochures, circulaires. Behalve voor het verkrijgen van het recht is dit ook van belang voor de vraag, of er in een bepaald geval inbreuk op iemands merkrecht is gepleegd, m.a.w. of het merk ten onrechte door een ander is „gebruikt" 2).

Vgl. Corporaal, Econ. Stat. Berichten 20 April 1921, blz. 60 en 70; vgl. blz. 107 noot 2.

*) Hof 's-Gravenhage 17 Juni 1907 W. 8585; Rb. Amsterdam 2 Maart 1923 W. 11070; Rb. 's-Gravenhage 10 Maart 1925 I.E. 1925, blz. 78; Hof Amsterdam 25 Februari 1930 N.J. 1930, blz. 698, I.E. 1930, blz. 205; Rb. Amsterdam 4 Maart 1931 N.J. 1932, blz. 1065 (inbreuk door aanprijzing in circulaires); Rb. Arnhem 19 October 1931 N.J. 1933, blz. 194 (inbreuk door gebruik in advertenties); Hof Amsterdam 23 October 1931 W. 12368 en Rb. Rotterdam, 24 Juni 1932 N.J. 1933, blz. 1161 (inbreuk door gebruik in advertenties); Rb. Amsterdam 10 Februari 1933 N.J. 1934, blz. 516 (gebruik — inbreuk — behoeft niet door gehoor of gezicht waargenomen te worden); Rb. Arnhem 18 Mei 1931 W. 12353, zelfs een negatieve gedraging kan inbreuk opleveren (aflevering van andere tabletten dan Wyberttabletten, toen deze laatste gevraagd werden).

Anders: Rb. Rotterdam 22 December 1922 N.J. 1923, blz. 149, W. 11068; (gebruik van het merk los van de waar, in advertenties, geen inbreuk); evenzoo

Sluiten