Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naast deze bijzondere rechtsmiddelen kan de merkgerechtigde tot handhaving van zijn recht, met inachtneming van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bij dagvaarding instellen in de eerste plaats een vordering tot erkenning of verklaring van recht. Deze gaat vrijwel steeds samen met een vordering tot onrechtmatigverklaring der handelingen van den gedaagde, voor zoover deze, naar 's-eischers meening inbreuk maakten op zijn merkrecht, en met een vordering tot vergoeding van schade. Hierbij is door de jurisprudentie meermalen beslist, dat, als inbreuk op een merkrecht vaststaat, aangenomen mag worden, dat ook schade is geleden, zoolang het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt1).

Vaak wordt naast het bovenstaande van den rechter gevorderd, aan gedaagde te verbieden den inbreuk te herhalen, op straffe van verbeuring van een dwangsom.

Dit dwangmiddel staat den rechter eerst met zooveel woorden ten dienste sinds de invoering der artt. 6na en b Rv., bij de wet van 29 December 1932, S. 676. Ook voordien heeft de rechter echter herhaaldelijk bij het opleggen van een dergelijk verbod veroordeeld tot betaling van een bepaald bedrag bij overtreding daarvan; een dwangsom of boete mocht dit echter niet zijn, want die kende de wet niet 2). Het bedrag gold dan ook steeds als vergoeding voor geschatte, toekomstige schade. Practisch kwam dit vrijwel op hetzelfde neer, alleen zal de dwangsom nu gewoonlijk grooter zijn dan de geschatte schadevergoeding zou zijn geweest, omdat, zooals de President van de Amsterdamsche Rechtbank in kort geding terecht opmerkte (17 November

2407-9; onderschr. bij arr. H.R. 19 December 1932 N.J. i933> blz. 955 en bij arr. H.R. 22 December 1932 N.J. 1933, blz. 960; anders de Pr. Gen. mzyn conclusie voor laatstgenoemd arrest (de H.R. zelf laat zich in dit arrest over de quaestie niet uit); zoo ook Hof 's-Gravenhage 8 Januari 1932 N.J. i932j 363; noot Scholten bij arr. H.R. 18 December 1930 N.J. I931» blz. 661: Du Mosch beschouwt rechtspraak op grond van de artt. 9 en 10 Mw. als contentieuze rechtspraak, uitspraken op grond daarvan kunnen dus c.q. als rechterlijk gewijsde dienst doen.

x) Rb. Rotterdam 31 Januari 1929 W. 12012; Hof's-Gravenhage 8 Januari 1932 N.J. 1932, blz. 363; H.R. 22 December 1932 N.J. 1932, blz. 960; vgl. ook Drucker t.a.pl., blz. 118. .

2) Hof den Bosch 31 Mei 1932 N.J. I933> blz. 365: Vordering tot veroordeeling van gedaagde tot dergelijke hooge schadebedragen per dag voor toekomstige overtreding niet toewijsbaar; staat gelijk met betaling van een dwangsom, die de wet nog niet kent; analoog: Rb. 's-Gravenhage 29 November 1932 N.J. 1934, blz. 477, verbod verder gebruik, dwangsom.

Sluiten