Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook aan het recht op een niet-ingeschreven merk. In verband hiermede zou dan ofwel de aan het merkrecht verbonden strafsanctie uit het Wetboek van Strafrecht moeten worden geschrapt en zou in de nieuwe Merkenwet een bepaling moeten worden opgenomen, waarbij opzettelijke inbreuk op eens anders recht op een ingeschreven merk strafbaar werd gesteld, ofwel zou art. 337 in dien zin gewijzigd moeten worden.

Het recht op een ingeschreven merk zou in de vierde plaats hierin van het recht op een niet-ingeschreven merk moeten verschillen, dat niet te allen tijde voor het ingeschreven merk de mogelijkheid van verlies van het recht door nietigverklaring der inschrijving bleef bestaan wegens een „beter" recht van een derde, op grond van diens eerder gebruik, ook al is eerste gebruik dan ook feitelijk rechtscheppende factor. Er bestaat dan ook geen enkel bezwaar de mogelijkheid, om met succes een verzoek tot nietigverklaring in te dienen, aan een bepaalden termijn te binden; is deze termijn lang genoeg, dan is de rechtszekerheid gediend, zonder dat aan de billijkheid te kort wordt gedaan. Men krijgt op deze wijze het bovenbedoelde tusschenstelsel: de declaratieve inschrijving wordt na bepaalden tijd practisch constitutief (blz. 80).

Zoo is ook in Engeland na verloop van 7 jaar na den datum van inschrijving, nietigverklaring slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk; de declaratieve inschrijving heeft daar dus na 7 jaar feitelijk constitutieve werking.

De bezwaren, die er destijds in de Kamer tegen opgeworpen werden (blz. 66), dat de zuiver declaratieve inschrijving uit het stelsel onzer Merkenwet, volgens den Minister, na verloop van de in art. 10 genoemde termijnen (6 of 9 maanden) constitutief werd, zouden niet gelden, wanneer de inschrijving uit het hierboven omschreven stelsel na b.v. 5 jaar constitutieve kracht kreeg. Immers vooreerst zou de overgang van „verklaring van recht" tot „schepping van recht", veel minder ingrijpend zijn dan bij het stelsel der geldende Merkenwet door de concessies, die bij het vaststellen van de onmiddellijke rechtsgevolgen der inschrijving reeds aan de constitutieve beginselen waren gedaan. Bovendien zou de werkelijk rechthebbende bij den zooveel langeren overgangstermijn veel meer gelegenheid hebben zijn recht te doen gelden; tenslotte zou in geval van bedrog of

Sluiten