Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verval van Daar het recht op een merk ontstaat en bestaat onafderki"na.Cht hankelijk van de inschrijving, moet bovendien aangenomen schrijving. worden, dat bij het optreden van een der oorzaken, waardoor de kracht van de inschrijving vervalt, toch het recht op het merk op zichzelf blijft bestaan x), tenzij er tevens een oorzaak mocht zijn, waardoor ook het recht zelf teloor gaat.

De kracht der inschrijving vervalt volgens art. 18:

1. door doorhaling op verzoek van dengene, te wiens name de inschrijving is gesteld of de overgang ingevolge art. 20 is aangeteekend;

2. door verloop van 20 jaren na den dag, waarop de inschrijving overeenkomstig art. 5 of 8 is geschied, indien deze niet vóór het verstrijken van dien termijn is vernieuwd of indien de vernieuwing niet binnen gelijken termijn is herhaald;

3. door het vervallen van de kracht of het weigeren der inschrijving in het land van oorsprong (dit geval heeft uiteraard alleen betrekking op buitenlandsche merken, die internationaal zijn ingeschreven);

4. op 31 December 1913 voor alle ingeschreven merken, welke bevatten zij het ook met een geringe afwijking, den naam of het onderscheidingsteeken van „Het Roode Kruis" ook genaamd „Het Kruis van Genève".

Volgens den Hoogen Raad zijn de gevallen, waarin de kracht der inschrijving vervalt, in art. 18 limitatief opgesomd 2). Zuiver limitatief is art. 18 echter beslist niet, omdat de kracht der inschrijving zonder eenigen twijfel vervalt na nietigverklaring door de Haagsche Rechtbank ingevolge

x) Rb. Rotterdam 4 November 1912 W. 9456, N.J. 1913, blz. 158; Hof Amsterdam 11 Maart 1918, N.J. 1918, blz. 924; Hof Arnhem 23 October 1923 N.J. 1924, blz. 474: bij doorhaling op verzoek van den inzender vervalt het vermoeden van eerste gebruik, echter niet het recht op het uitsluitend gebruik van het merk; vgl. ook Völlmar t.a.pl., blz. 48 en Drucker t.a.pl., blz. 120.

*) H.R. 5 November 1909 W. 8919, I.E. 1913, blz. 178. Naar aanleiding van dit arrest werd in de Tweede Kamer (Bijl. Hand. 1910/11, No. 247,5) opgemerkt, dat, als deze opvatting van den H.R. in de jurisprudentie bestendigd werd, er alle reden was tot wetswijziging over te gaan. Men is hierop echter nimmer nader teruggekomen; vgl. verder H.R. 6 Juni 1913 N.J. 1913, blz. 779; H.R.

1 Maart 1929 N.J. 1929, blz. 585, W. 11799; Hof Amsterdam 30 October 1911 W. 9381 ;Hof 's-Gravenhage 7 Juli 1927 I.E. 1927,blz. 150; Rb. Amsterdam

2 Maart 1923 W. 11070; anders Hof's-Gravenhage 4 Mei 1908 W. 8717, I.E. 1913, blz. 172. Zie ook voor critiek op het standpunt van den H.R., Drucker t.a.pl., blz. 63 en 121.

Sluiten