Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, feitelijk haar basis; toch blijft zij — het werd hierboven reeds terloops vermeld — de facto bestaan, omdat art. 18 dezen grond voor het vervallen van de kracht der inschrijving niet kent. Hieruit blijkt dus ten duidelijkste, dat de inschrijving geen enkel bewijs oplevert omtrent, het bestaan van het merkrecht.

Bij de behandeling van het ontwerp van wet tot wijziging van de Merkenwet in 1904, waar de quaestie van den invloed van non-usus op het merkrecht ter sprake kwam, heeft de Regeering bij monde van Minister Loeff uitdrukkelijk verklaard, dat non-usus het recht op een ingeschreven merk niet teniet doet gaan x). Drucker noch Molengraaff deelen deze opvatting 2) en de jurisprudentie heeft herhaaldelijk beslist, dat na non-usus gedurende 3 jaar aan de inschrijving geen rechten meer ontleend konden worden 3)

Dat men bij de vaststelling van het wetsontwerp echter toch wel voelde, dat hier iets haperde, blijkt uit de Memorie van Toelichting, waar wordt gezegd 4), dat opname van de bepaling, dat de inschrijving automatisch haar kracht zou verliezen, wanneer drie jaar lang geen gebruik van het merk was gemaakt, in de practijk tal van moeilijkheden zou opleveren en van overheidswege bezwaarlijk zou zijn te handhaven. De juistheid van dit bezwaar moet inderdaad worden erkend. Daartegenover staat, dat het ook niet noodig is, dat de inschrijving in een dergelijk geval automatisch haar kracht verliest. De vraag, of aan een inschrijving nog rechten kunnen worden ontleend, is pas van belang, wanneer deze inschrijving aan de inschrijving van een geheel of in hoofdzaak overeenstemmend merk voor dezelfde soort van waren in den weg staat. Daarom moet althans de mogelijkheid bestaan, dat een inschrijving welke geen bestaansrecht meer heeft, omdat wegens nietgebruik gedurende bepaalden tijd aangenomen mag worden, dat de oorspronkelijk rechthebbende niet langer op zijn merkrecht prijsstelt, op verzoek van belanghebbenden nietig wordt verklaard. Om zooveel mogelijk onbillijk-

*) Hand. Tweede Kamer 1904/05, blz. 105.

2) Drucker t.a.pl., blz. 120; Molengraaff t.a.pl., blz. 123.

3) Hof Leeuwarden 22 Juni 1910 W. 9078; Rb. Rotterdam 4 November 1912 W. 9456 N.J. 1913, blz. 158; W.P.N.R. 2244; Hof's-Gravenhage 30 Mei 1928 W. 11876; R.M. 1897, blz. 66 (v.d. Bergh); O. & M. Augustus 1929, blz. 5.

4) Bijl. Hand. Tweede Kamer 1892/93, No. 143.

Sluiten