Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigmg JNederlandsch fabrikaat, het Instituut der iNeaerlandsche Vereeniging van Huisvrouwen, de vereenigingen, die een „Verbandszeichen" voeren, hebben geen fabrieksof handelsonderneming en vervaardigen of verhandelen evenmin de waren, waarop haar merken worden aangebracht; de N.V. tot Keuring van Electrotechnische Materialen bezit wel een handelsonderneming, maar vervaardigt noch verhandelt de waren, waarvoor haar keuringsteeken bestemd is, heeft dus geen handelsonderneming als bedoeld in art. 3.

Voorts wordt in art. 3 gesproken van „het recht tot uitsluitend gebruik".

Op het gebruik van het collectieve merk werd in de inleiding (blz. 2) reeds de aandacht gevestigd. De rechthebbende op een collectief merk, wenscht zelf slechts de beschikking over het recht te hebben, meestal geen gebruiksrecht en zeer zeker geen recht tot uitsluitend gebruik.

Dit recht tot uitsluitend gebruik komt, ingevolge art. 3 toe aan dengene, „die het eerst tot omschreven doel van dat merk . . . gebruikt heeft gemaakt". „Tot omschreven doel" wil zeggen „ter onderscheiding van iemands (d.i. van den rechthebbende) fabrieks- of handelswaren van die van anderen". Wanneer men ook al „gebruik maken van" in zeer ruimen zin neemt en hieronder tevens rangschikt handelingen, waardoor naar buiten kennelijk blijkt, dat men een onderscheidingsteeken als collectief merk aanvaardt of aanvaard heeft (vgl. blz. 71), dan is dit toch in geen geval een gebruik maken „tot omschreven doel".

Op de keper beschouwd vallen de collectieve merken dus ten eenenmale buiten de omschrijving van art. 3, zoodat zij ook feitelijk niet voor inschrijving in aanmerking komen. Dat desondanks een groot aantal collectieve merken in het merkenregister voorkomt, is, behalve aan het bestaan van art. 7bis van het Unieverdrag, waarover hieronder meer, daaraan te danken — of te wijten —, dat bij de in de wet genoemde gronden, waarop inschrijving van een merk geweigerd kan worden, er geen is, waarop het Merkenbureau rechtstreeks de weigering tot inschrijving van een collectief merk zou kunnen baseeren. Hoogstens zou het Merkenbureau dit kunnen doen op grond van het feit, dat het collectieve merk geen merk is in den zin der Merkenwet,

Sluiten