Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet gebruikt ter onderscheiding van zijn fabrieks- of handelswaren van die van anderen. Dit is te ernstiger om de volgende reden.

Als de collectiviteit geen recht heeft, dan heeft de eerste gebruiker van het collectieve merk een door de wet erkend recht. Immers degenen, die van de collectiviteit het z.g. recht tot gebruik van het collectieve merk hebben verkregen, gebruiken het merk feitelijk wèl „tot omschreven doel" (art. 3 lid 1)! Dus: ten behoeve van dengene, die dit gebruiksrecht daadwerkelijk het eerst uitoefende, ontstaat een merkrecht als in art. 3 bedoeld, d.w.z. een recht op het merk als individueel merk.

Theoretisch gesproken zou dit beteekenen in de eerste plaats, dat deze eerste gebruiker aan al degenen, die na hem van de collectiviteit eveneens het gebruiksrecht hadden verkregen, dit gebruik zou kunnen beletten, terwijl hij bovendien ten opzichte van de collectiviteit een „beter" — immers een door de wet erkend tegenover een door de wet niet erkend — recht zou hebben en dus de collectiviteit feitelijk het beschikkingsrecht zou kunnen ontnemen.

Nog sterker spreekt dit voor het geval, dat deze z.g. rechthebbende tegen den zin van de collectiviteit het merk is gaan gebruiken.

Hieraan zij terstond toegevoegd, dat in de practijk een en ander zich zelden zal voordoen, vooreerst omdat natuurlijk al heel gauw, nadat het collectieve merk als zoodanig op goederen is aangebracht, niet meer is na te gaan, wanneer de verschillende gebruikers met hun gebruik zijn begonnen, zoodat dus eerder gebruik door een van hen ten opzichte van de anderen moeilijk zal zijn vast te stellen.

Voorts moet er bij een gebruiker, die zich op een dergelijke manier het recht op een merk zou willen verzekeren, toch wel een heel groote dosis kwade trouw bestaan; en tenslotte is het de vraag of een dergelijke handelwijze wellicht niet als strijdig met de „maatschappelijke betamelijkheid" zou zijn te beschouwen, aanleiding gevende tot een actie uit art. 1401 B.W. ofwel tot een strafvervolging op grond van art. 328bis Sr. (wegens oneerlijke concurrentie, gepleegd ten opzichte van medegebruikers).

Dit neemt echter niet weg, dat de rechtspositie van den rechthebbende op een collectief merk ten opzichte van dit merk uiterst zwak is en blijft.

Sluiten