Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(vgl. voor het sub 3 en 4 genoemde de Duitsche voorstellen blz. 117).

De grondslag is dus niets anders dan dat de contracteerende landen zich verplichten om collectieve merken tot inschrijving toe te laten en te beschermen; de uitwerking daarvan wordt echter volkomen overgelaten aan het inzicht van elk land afzonderlijk, waarbij de tractaatsbepaling als eenige verplichting oplegt, dat het bezit van een inrichting van nijverheid of handel niet als voorwaarde voor de inschrijving mag worden gesteld. Het spreekt vanzelf, dat dientengevolge de Staten, die, ter uitvoering van dit artikel, de collectieve merken in een nationale wet nader regelen, onderling de meest uiteenloopende bepalingen kunnen en zullen hebben.

Overigens valt het op, dat in het artikel niet gezegd wordt, dat de collectieve merken van onderdanen van een der Unielanden, om aanspraak op bescherming in een der overige Unielanden te kunnen maken, ingeschreven moeten zijn in het land van oorsprong. Aangenomen mag worden, dat dit wel de bedoeling is geweest, omdat nergens blijkt, dat men ten deze heeft willen afwijken van het voor individueele merken geldende principe, zooals dat is neergelegd in het eerste lid van art. 6 Unieverdrag. Het ware echter juister en vollediger geweest, wanneer men ook in art. 7bis dienaangaande geen twijfel had gelaten.

In een artikel in La Propriété Industrielle (1925) 1), werd er reeds op gewezen, dat de redactie van art. 7bis niet bijzonder gelukkig was en dat men beter in het eerste lid eenvoudig het principe had kunnen vermelden om dan in het tweede lid de toepassing te behandelen. Bovendien — zoo wordt aldaar opgemerkt — is de nadere omschrijving der in het eerste lid bedoelde gemeenschappen, n.1. „dont 1'existence n'est pas contraire a la loi du pays d'origine" eenigszins vreemd, omdat moeilijk aan te nemen is, dat er inderdaad collectiviteiten zijn, waarvan het bestaan wèl in strijd is met de wet van het land van oorsprong. Deze zinsnede is dan ook slechts uit de wordingsgeschiedenis van het artikel te verklaren, voortgevloeid als zij is uit de woorden „ayant une existence juridique aux

x) Pr. Ind. 30 Juni 1925, blz. 119.

Sluiten