Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Rechtsfahige Verbande, die gewerbliche Zwecke verfolgen, können auch wenn sie einen auf Herstellung oder Vertrieb von Waren gerichteten Geschaftsbetrieb nicht besitzen Warenzeichen anmelden, die in den Geschaftsbetrieben ihrer Mitglieder zum Kennzeichen der Waren dienen sollen.

Die juristischen Personen des öffentlichen Rechts stehen den bezeichneten Verbanden gleich."

fatheb- Rechthebbende op een collectief merk kan dus slechts *coiiec> zyn een «Verband", dat zich op het gebied van den handel e merk.beweegt; nauw hangt hiermede samen het vereischte, dat

slechts handelsondernemingen lid van het „Verband mogen zijn en dat het merk moet dienen als aanduiding der waren dezer handelsondernemingen, terwijl het „Verband" rechtspersoonlijkheid moet bezitten. Uitdrukkelijk is verder voorgeschreven — zulks in overeenstemming met het bepaalde in art. 7bis van het Unieverdrag — dat de rechthebbende niet zelf een handelsonderneming behoeft te zijn noch een handelsonderneming behoeft te bezitten, die waren produceert of verhandelt. Met de „rechtsfahige Verbande" worden publiekrechtelijke lichamen gelijkgesteld (vgl. blz. 120).

In verband met de bijzondere voor de collectieve merrheids- ken geldende bescherming behoeft het wel geen betoog,

dat deze merken in een afzonderlijk register worden ingeschreven (§ 24 c). De inschrijving geschiedt, nadat het gewone ook voor individueele merken geldende vooronderzoek gunstig is uitgevallen en als tevens bij het verzoek tot inschrijving overgelegd zijn 2 exemplaren der statuten, waarin behalve naam, zetel, doel, enz., nauwkeurig moet zijn aangegeven alles, wat het gebruik van het „Verbandszeichen" betreft, o.a. wie lid kan zijn van het „Verband" en onder welke voorwaarden men dit worden kan, welke maatregelen genomen kunnen worden in geval van misbruik van het merk of inbreuk op het merk door derden, enz., enz. De overheid wenscht dus willekeur te voorkomen en doet dit indirect door den inzender van een collectief merk te dwingen bepalingen vast te stellen, waarvan op straffe van verval van het recht niet mag worden afgeweken (§ 24b; vgl. art. 7bis, lid 2, tekst Londen).

Een ander verschil met het individueele merk ligt opgesloten in § 24/, waarin aan het „Verband" het recht wordt gegeven om bij inbreuk behalve vergoeding van eigen schade aanspraak te maken op vergoeding der schade,

Sluiten