Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuiten, om aan de inschrijving van het collectieve merk een ander stelsel ten grondslag te leggen dan aan de inschrijving van het individueele merk; wat het gebruik betreft is bovendien voor het collectieve merk een declaratieve inschrijving zeer goed mogelijk, mits men „gebruik", waarop de declaratieve inschrijving steunt, in den ruimsten zin des woords neemt. De declaratieve inschrijving wordt voor het collectieve merk nog aannemelijker, wanneer de inschrijving gèldt als gebruik (vgl. blz. 72). Daarnaast moet uitdrukkelijk inschrijving als voorwaarde gesteld worden voor het volledig recht op een collectief merk.1).

In beginsel kan dan wat systeem betreft het Fransche wetsontwerp, waarin, evenals voor Nederland is voorgesteld, de declaratieve inschrijving na bepaalden tijd practisch constitutief wordt, het beste als richtsnoer dienen, k" Het eerste artikel van Titel V van dat ontwerp, hanec_ delende over de collectieve merken, geeft aan. welke col-

merk. lectiviteiten fabrieks- of handelsmerken kunnen bezitten en

waartoe het gebruik van deze collectieve merken bestemd moet zijn.

Zeer juist is in dit artikel de beperking, dat bij het collectieve merk het doel van het gebruik gelegen moet zijn op het gebied van handel, nijverheid of landbouw. Een onderscheidingsteeken, dat b.v. door de leden van een vereeniging met godsdienstige, politieke of sociale doeleinden collectief wordt gebruikt is dus — en zulks terecht — geen collectief merk als hier bedoeld.

Minder goed voor overname vatbaar is daarentegen de beperking, gelegen in de bepaling, dat slechts collectiviteiten een collectief merk kunnen bezitten (vgl. blz. 2); ook het Belgische ontwerp (beroepsvereenigingen) en de Duitsche wet („Verbande") kennen slechts collectiviteiten als rechthebbenden op een collectief merk. In dit opzicht bevredigt echter meer de Engelsche wet, volgens welke „any association or person (who) undertakes tocertify . . onder nader door de Engelsche wet gestelde voorwaarden, een collectief merk kan doen inschrijven. Volledigheidshalve zou dan bovendien, zooals in de drie andere regelingen geschiedt, uitdrukkelijk ook aan publiekrechtelijke lichamen het recht op een collectief merk moeten worden toegekend.

x) Vgl. over „gebruik" Rb. Rotterdam 4 Maart 1931 N.J. 1932, blz. 1065; Rb. Amsterdam 10 Februari 1933 N.J. 1934, blz. 516; vgl. ook blz. 71 noot 2.

Sluiten