Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waard. -Bovendien bestaat er niet het minste bezwaar om de inschrijvingskosten voor een collectief merk mede daarom hooger te stellen dan die voor een individueel merk.

Het recht op het collectieve merk behoort volgens de gewone merkenrechtelijke bepalingen met eenig voorbehoud toe aan dengene, die als rechthebbende staat ingeschreven. Terecht is dan ook in de verschillende besproken regelingen in de eerste plaats aan deze het recht toegekend om in rechte op te treden voor de handhaving van het recht.

Daadwerkelijk gebruikt wordt het collectieve merk door degenen, die het recht daartoe uitdrukkelijk van den rechthebbende hebben verkregen en/of door de leden van of de aangeslotenen bij de vereeniging—rechthebbende of collectiviteit, soms ook door den rechthebbende zelf1). Het naast het merkrecht staande gebruiksrecht kan geen zelfstandig recht worden, omdat het staat en valt met het recht zelf; het is en blijft dus een afgeleid recht. Doch de gebruiker heeft er het grootste belang bij — zulks uit concurrentieoogpunt —, dat geen onbevoegden zich van het merk bedienen, evenzeer als degene, die als rechthebbende op het collectieve merk staat ingeschreven, er belang bij heeft, dat de gebruiker geen misbruik maakt van het hem verleende of het hem als lid of aangeslotene toekomende gebruiksrecht. Bij dit laatste is tenslotte ook een groot algemeen belang, het belang van den consument, betrokken.

Een belangrijke waarborg, dat slechts daartoe bevoegden van het merk gebruik zullen maken en dat misbruik tot een minimum wordt beperkt, ligt in den eisch (hoofdzakelijk met het oog op het zooeven genoemde algemeene belang gesteld) van overlegging van statuten of reglementen bij het verzoek om inschrijving, waarin bepalingen dienaangaande moéten voorkomen (zie de Duitsche, Fransche en Belgische regeling), terwijl, wanneer daaraan niet de hand wordt gehouden, nietigverklaring der inschrijving op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van

1) Eventueel gebruik van den rechthebbende zelf zal gewoonlijk bestaan in vermelding van het merk in advertenties e.d. voor reclame. De mogelijkheid is echter niet uitgesloten, dat hij zelf een inrichting van nijverheid of handel bezit en het collectieve merk daadwerkelijk gebruikt door het aan te brengen op eigen waren. (Vgl. Pr. Ind. Aug. 1934 blz. 144).

Sluiten