Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Inschrijving, Internationale Inschrijving, Vernieuwing of Vervallen van Inschrijvingen en Overgang van Merken.

Artikel 3.

1 Het recht tot uitsluitend gebruik van een merk ter onderscheiding van iemands fabrieks- of handelswaren van die van anderen komt toe aan dengene, die het eerst tot omschreven doel van dat merk in het Rijk in Europa of in de koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gebruik heeftgemaakt, doch alleen voor die soort van waren, waarvoor het door hem gebruikt is, en met langer dan drie jaren na het laatste gebruik. _

2 Behoudens bewijs van het tegendeel en het bepaalde bij het volgende lid wordt hij, die het eerst voldeed aan de voorschriften van art. 4, geacht de eerste

gebruiker van het ingezonden merk te zijn. . , , , r.

q. Hij die aan het Bureau voor den industrieelen eigendom een merk heeft ingezonden binnen den termijn van vier maanden, nadat hij het merk met inachtneming van art. 6 der voormelde internationale overeenkomst van Parijs in een der tot die overeenkomst toegetreden Staten regelmatig heeft gedeponeerd, wordt geacht van dat merk reeds bij den aanvang van dien termijn in het Riik in Europa gebruik te hebben gemaakt.

4 Hij die een merk, waaronder zijn fabrieks- of handelswaren zijn tentoongesteld op een officieele of officieel erkende internationale tentoonstelling, op het grondgebied van een der tot de voormelde internationale overeenkomst van

Parijs toegetreden Staten gehouden, binnen zes maanden na de opening die tentoonstelling aan het Bureau voor den industrieelen eigendom ter^hnjving voor die soort van waren overeenkomstig art. 4 inzendt, wordt geacht van da merk reeds in het Rijk in Europa gebruik te hebben gemaakt op den dag waarop het ter onderscheiding van dezelfde soort zijner waren ter tentoonstelling aanwezig was. Tot bewijs van den dag dier aanwezigheid kan het Bureau voorden industrieelen eigendom de overlegging vorderen van een gewaarmerkte verklaring van het bestuur der tentoonstelling of, te zijnen genoegen, van andere bevoegde zijde afkomstig.

Artikel 3bis.

1. Eene inschrijving van een merk ten name van meer dan één rechthebbende is alleen dan geoorloofd, indien deze allen gezamenlijk gerechtigd zijn tot de fabriek of handelsinrichting tot onderscheiding van welker waren

het merk bestemd is. _ . , . , .

2. Tot bewijs van dit laatste kan het Bureau voor den industrieelen eigendom de overlegging vorderen van een gewaarmerkt uittreksel van de akte, waaruit van de gezamenlijke gerechtigdheid blijkt.

Artikel 4.

1. Ter verkrijging van de inschrijving van een merk zendt de belanghebbende aan het Bureau voor den industrieelen eigendom een voldoend cliché van dat merk ter lengte en breedte van tenminste 1.5 en ten hoogste 10 centimeters en ter dikte van 2.4 centimeters, benevens twee door hem onderteekende exemplaren eener duidelijke afbeelding van zijn merk. Tevens moeten worden vermeld de soort van waren, waarvoor het merk bestemd is, en de volledige naam en de woonplaats van den inzender. Indien de inzender de kleur van het merk als onderscheidend kenmerk wenscht, geeft hij een beknopte aanwijzing van de kleur of kleuren, waarin het merk is afgebeeld, en stelt hy een door het Bureau voor den industrieelen eigendom te bepalen getal afdrukken in kleur van het merk ter beschikking van dat Bureau.

2. De inzending kan ook geschieden door een schriftelijk daartoe gemachtigde.

Sluiten