Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 10.

1. Indien het overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk of het overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsch merk geheel of in hoofdzaak overeenstemt met dat, waarop een ander voor dezelfde soort van waren recht heeft krachtens art. 3, of den naam of de firma van een ander bevat, kan hij, die beweert zoodanig recht te hebben, of wiens naam of firma het merk bevat, onverminderd andere hem ten dienste staande rechtsmiddelen zich, voor wat betreft een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk, binnen zes maanden na de bij art. 6 voorgeschreven openbaarmaking en voor wat aangaat een overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsch merk binnen negen maanden na de daar aan het slot voorgeschreven mededeeling, bij door hem of zijn gemachtigde onderteekend verzoekschrift tot de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage wenden, teneinde de inschrijving worde nietig verklaard.

2. Ook na verloop van de in het eerste lid vermelde termijnen kan de daar genoemde rechthebbende op gelijke wijze de nietigverklaring der inschrijving verzoeken, ingeval zijn recht uit een rechterlijk gewijsde blijkt.

3. Binnen het tijdsverloop in het eerste lid genoemd, kan, indien het merk in strijd is met de bepaling van het voorlaatste lid van art. 4, door den Officier van Justitie bij de in het eerste lid genoemde rechtbank worden gevorderd, dat de inschrijving worde nietig verklaard.

Artikel 11.

Van elk in art. g of art. 10 bedoeld verzoek, en van elke in art. 10 bedoelde vordering van den Officier van Justitie, wordt door den Griffier binnen drie dagen aan het Bureau voor den industrieelen eigendom schriftelijk kennis gegeven.

Artikel 12.

1. De rechtbank beslist in raadkamer.

2. De beslissing op een verzoek krachtens art. 9 gedaan, wordt niet gegeven dan nadat de verzoeker in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op de inschrijving van het merk, en de Directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom om de weigering van inschrijving voor de rechtbank mondeling te verdedigen. Het verzoek en het daarop door de rechtbank gegeven eenvoudig appointement tot bepaling van den dag der behandeling worden vanwege den verzoeker aan den Directeur beteekend, binnen veertien dagen na de dagteekening van dat appointement.

3. De beslissing op een verzoek of eene vordering krachtens art. 10 gedaan, wordt niet gegeven dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den inzender van het merk op den door de rechtbank bij eenvoudig appointement op het verzoek of de vordering bepaalden dag, welke aan het Bureau voor den industrieelen eigendom door den Griffier schriftelijk wordt medegedeeld, en, indien het een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk betreft, aan den inzender wordt bekend gemaakt door beteekening, vanwege den verzoeker of den Officier van Justitie, van het verzoek of de vordering en het daarop gegeven appointement, binnen veertien dagen na de dagteekening van dit laatste.

4. Geldt het een overeenkomstig art. 8 ingeschreven merk, dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom van het verzoek of de vordering kennis aan het Internationaal Bureau te Bern en deelt aan dit Bureau zoodra mogelijk den door de rechtbank voor het verhoor bepaalden dag mede, en wel tenminste een maand of drie maanden te voren, naargelang de inzender in of buiten Europa woont.

5. Bij het verhoor kan de verzoeker, en in het geval voorzien bij het tweede lid van art. 10 de Officier van Justitie de gronden, waarop zijn verzoek of zijne vordering berust, mondeling uiteenzetten.

Sluiten