Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE V.

BELGIË.

WETSONTWERP OP DE GEMEENSCHAPPELIJKE MERKEN. Ingediend bij de Kamer der Volksvertegenwoordigers 15 Maart 1932.

Artikel 1.

1. Beroepsvereenigingen van voortbrengers of handelaars mogen, indien zij de rechtspersoonlijkheid genieten, gemeenschappelijke merken deponeeren, uitsluitelijk bestemd voor de leden der vereeniging, met het doel de goede faam van de door hen voortgebrachte of verkochte waren te behoeden ').

2. Het Rijk, de provinciën en de gemeenten, alsmede groepeeringen van provinciën of gemeenten, handelende ten behoeve der op hun grondgebied gevestigde voortbrengers, bezitten eveneens zulk recht. Die administraties en die voortbrengers genieten, onderscheidenlijk, onder gelijke voorwaarden, dezelfde rechten als bovenbedoelde beroepsvereenigingen en hun leden.

3. Koninklijke besluiten mogen ook nog het recht om gemeenschappelijke merken te deponeeren verleenen aan inrichtingen van algemeen nut, die door die besluiten worden aangeduid. Enkel de inrichtingen, die de rechtspersoonlijkheid bezitten, mogen aanspraak maken op die bepaling. Terzelfdertijd duidt de Koning de personen aan, die de merken mogen benuttigen.

Artikel 2.

1. De gemeenschappelijke merken mogen ook worden gebruikt als stempel, en, in 't algemeen, als middel om de samenstelling of de hoedanigheid van de koopwaren te verzekeren.

2. De vermelding van een herkomstaanduiding in een gemeenschappelijk merk mag, in geen geval, een uitsluitelijk recht verleenen tot het gebruiken van die aanduiding.

Artikel 3.

1. Elk gemeenschappelijk merk laat zeer goed zichtbaar van de letters M. C. of C. M. blijken.

2. Het bestempelen met een gemeenschappelijk merk is geen bezwaar tegen het terzelfdertijd gebruik maken van een persoonlijk merk.

1) In het op blz. 132 genoemde Kamerverslag wordt voorgesteld naast de beroepsvereenigingen te noemen „bonden van beroepsvereenigingen, tot stand gekomen overeenkomstig de wet van 31 Maart 1898, samenwerkende vennootschappen en de vereenigingen zonder winstgevend doel". Verder wordt „met het doel" veranderd in „met het uitsluitend doel". In verband hiermede wordt dan in het geheele ontwerp, waar dit te pas komt, gesproken van „organismen" in plaats van „beroepsvereenigingen".

Door deze wijziging wordt de omschrijving van degenen, die rechthebbenden op een collectief merk kunnen zijn, iets ruimer.

Daar de verdere door de Kamer voorgestelde wijzigingen van ondergeschikt belang zijn, wordt daarvan geen vermelding gemaakt en wordt aangehouden de tekst, zooals deze bij Koninklijke Boodschap bij de Kamer is ingediend.

Sluiten