Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoonlijk als blinde heidenen werden aangeduid.

In de Compagniesgeschriften, officieele zoowel als niet-officieele, van de zeventiende en de eerste helft der achttiende eeuw vindt men dan ook altijd de onderscheiding gemaakt tusschen Christenen en on-Christenen. Zelfs het ras-criterium was van gering belang vergeleken bij het godsdienst-criterium.

Telkens wordt van personen gesproken met Europeesche namen, waarna wij ons afvragen: „Was dat nu een Inlander of een Europeaan?" Zoo b.v. de ChristenAmbonnees Kapitein Jonker en ook Meester Cornelis Senèn.

Toen daarna de godsdienst een niet meer zoo overheerschende plaats in de denkwijze der Europeesche bestuurders innam, komt deze onderscheiding minder en minder voor. Toen begon ten volle het ras-criterium als norm van onderscheiding te dienen.

In de Bataviasche Statuten van 1642 geldt nog in de eerste plaats de onderscheiding tusschen Christenen en on- Christenen.

De normen der onderscheiding weerspiegelden aldus duidelijk den gedachtengang van de Europeesche bestuurders, die deze wetten maakten in de verschillende tijdperken van koloniaal bestuur; in de eerste plaats zal ik behandelen het tijdperk van het bestuur der Vereenigde Oost-Indische Compagnie, eindigend met de finale liquidatie in 1800 (Hoofdstuk I).

Dan volgen het tijdperk van overgang en het Engelsche Tusschenbestuur. In den overgangstijd werd naar een oplossing gezocht, maar door den korten duur van dit tijdperk is het bij zoeken gebleven, terwijl in het tijdvak van het Engelsche Tusschenbestuur Nederlandsch-Indië eenvoudig een onderdeel vormde van het Engelsche Koloniale Rijk in Zuid-Azië en destijds de Engelsche opvattingen eenigermate en zeer tijdelijk deze materie beheerschten (Hoofdstuk II).

Terwijl eerst daarna, na het herstel van het Nederlandsch bestuur in 1816, geleidelijk de indeeling der bevolking, zooals wij die nu kennen, is ontstaan (Hoofdstukken III, IV, V en VI).

Sluiten