Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den oorsprong der „Portugeesche" bevolking of „Mardijkers". Ook werden zij wel in dienst genomen als matrozen, want op 24 Februari 1626 werd verklaard, dat ,,by mancquement van volck", men gedwongen was, ,,soo wanneer men eenige schepen nae d' een off d' andere plaatse versont, vele Laöcaró ende zwarten tot behoorlycke manninge van deselve neffens d' andere te gebruicken" *).

Oorsprong der Inlandécbe bevolking.

De vrije Inlandsche bevolking binnen de stad Batavia is altijd zeer gering geweest. Hoeveel er in 1635 waren (het eerste jaar, waarover wij van hun aantal iets vernemen), blijkt wel uit een resolutie van 19 Januari van dat jaar, die spreekt van „omtrent dertigh huysgesinnen" te Batavia woonachtige Javanen 2).

Tegen het eind der zeventiende eeuw werden speciale groepen Inlanders uit verschillende streken naar Batavia gelokt voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Zoo b.v. Inlanders uit het Cheribonsche voor het uitdiepen van de rivier, hoofdzakelijk tusschen de havenhoofden, of voor het aanbrengen van koraalsteen uit Cheribon ter verbetering van die hoofden. Deze lieden werden dan ook ,,Modderjavanen" genoemd 3). Uit Tjiasem haalde de Compagnie menschen voor het hout dat zij noodig had, terwijl voor den scheepsbouw de lieden uit Batang werden gelokt. Uit Tegal kwamen visscherlieden, voor den aanvoer van versche visch te Batavia, als begeleiders van houtvlotten en als vrachtvaarders, in de kustvaart op Batavia, met in hoofdzaak rijst en andere levensmiddelen, waarvoor men ook menschen van Indramajoe, Cheribon en Pekalongan gebruikte 4).

Buiten de stad, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, vormde zich de vrije Inlandsche bevolking, be-

J) Daghregister 1626, pag. 233 (oorspr. niet gecursiveerd).

2) Plakaatboek I, pag. 370.

3) Dr. de Haan, Priangan III, § 602 e.v., pag. 396 en IV, § 1610 e.v., pag. 73.

4) Zie over de Tegalsche visschers, J. "W. van Dapperen, in ,,Djawa", Nov. 1933, pag. 334 e.v.

Sluiten