Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande uit verschillende natiën onder hun eigen hoofden en gaandeweg in verschillende kampongs en compagnieën vereenigd, waarover later meer.

Binnen de stad kon de Inlandsche bevolking zich slechts langzamerhand vormen en dan nog in geringe mate, daar de Compagnie de Bantammers en Matarammers wantrouwde, in tegenstelling met de strandbevolking of „Wetangers", die zij naar Batavia lokte, en zelfs beschermde tegen zeeroovers, wanneer zij weer naar hun streek terug keerden. Deze Wetangers vormden, voor zoover zij te Batavia gebleven zijn, een eigen groep •—• met eigen moskee en eigen kampong en hoofden •—< en huwden veelal met vreemde vrouwen, vooral Balische, want hun vrouwen kwamen toen nog heel zelden mee.

Het wantrouwen van de Compagnie in de „Javanen" is de oorzaak geweest van de vele maatregelen tegen hen. Onder deze „Javanen" zijn echter hoofdzakelijk de Bantammers en de Matarammers te verstaan; de Compagnie lette toen nog niet zoozeer op de plaatsen van herkomst van de Inlanders.

Verbodébepalingen.

Als eerste bepaling tegen de „Javanen", vinden wij een plakaat van 7 Januari 1628 1), dat hen verbood zich na zonsondergang binnen de stad op straat te bevinden en met hun prauwen aan de „ordinary passer ofte marcktplaets" te liggen. Een resolutie van 21 Januari 1638 2) hernieuwde het verbod aan de „Javaanen in deze stad by dage een kris of iets diergelyx" te dragen. Zij moesten zich na zonsondergang „buyten de stad" begeven en „geene Inlanders zonder onderscheyd" mochten na 9 uur 's avonds zonder flambouw of lantaarn op straat loopen. Deze laatste Inlanders waren dan degenen, die te Batavia mochten wonen. Dit verbod om een kris te dragen bestaat nog steeds in het algemeen en was reeds door de Compagnie als veiligheidsmaatregel aangenomen. Het wantrouwen van de Compagnie blijkt b.v. duidelijk uit

x) Plakaatboek I, pag. 219. 2) Realia I, pag. 103.

Sluiten