Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

min mochten zij met vreemde schepen naar Nederland vertrekken. Dit „Inlandsche vrouwen" werd zeer ruim genomen, daar zelfs dienaren, ,,met zwarte of mixtiesen vrouwen trouwende", niet mochten repatrieeren *). Dit plakaat is een uitbreiding van een bepaling van 15 September 1636, die het overzenden van ,,slaaven van Indische natiën" verbood 2). Niet alleen slaven, maar ook „andere Indiaansche natiën" mochten niet naar het Vaderland worden gebracht en op 10 November 1646 werd er aan herinnerd, dat op het overbrengen van slaven een boete stond van 50 realen 3). De reden tot uitvaardiging van deze plakaten wordt duidelijk uit de toelichting van deze laatste bepaling, die den gedachtengang van dien tijd laat zien: ,,Den aanvoer van slaven achtte de Regeering zelfs schadelijk voor de republycq in Nederland in 't reguard der „voortteelinge"". In denzelfden geest luidt een bepaling van 16 October 1716, waarbij Compagniesdienaren, die bij Inlandsche vrouwen natuurlijke kinderen hadden, niet naar Nederland zouden worden „verlost" 4). De toelichting laat aan duidelijkheid niets te wenschen over: „De Regeering wilde „deselve by en aan haere kinderen geattacheert houden, opdat andere sig daar aan mogen spiegelen en wagten voor diergelyke blocken"".

Ruim een eeuw nadat op Ambon aan soldaten en matrozen was vergund met Inlandsche vrouwen te huwen °) werd bepaald dat soldaten, die „aldaar getrouwt" waren, niet „verlost" zouden worden, „om het Trouwen zo gemakkelijk niet toe te staan" 6). Toen werd daar dus het concubinaat indirect bevorderd!

Slaven mochten niet met vrije vrouwen trouwen, tenzij er kinderen waren 7). Welke de rechtspositie der huwenden en die der kinderen werd, is ons niet gebleken.

*) Zie noot 7, pag. 27.

2) Realia III, pag. 205.

3) Plakkaatboek II, pag. 108.

4) Plakaatboek IV, pag. 89.

5) Zie pag. 27.

6) Realia I, pag. 26.

') Realia III, pag. 206.

Sluiten