Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens door het dragen van een soort Europeesche kleeding en door hun taal, die niet-Inlandsch was, maar Portugeesch. Reeds tijdens het eerste beleg bevonden zich onder de 240 weerbare mannen ook „swarten" te Batavia. Tijdens het beleg van 1628 konden er twee vaandels van hen worden gevormd en in 1633 worden reeds drie compagnieën vermeld, waarbij echter ook de Mixtiezen waren ingedeeld. In 1641 waren er nog slechts 308 man. In 1668 waren er twee compagnieën binnen de stad en tWee er buiten. En in 1669 en 1680 kwam er een compagnie buiten de stad bij J). Deze zes compagnieën bleven bestaan tot 1761 toen de Mardijkers werden afgedankt 2). Het jaar daarop werden zij in verband met een expeditie naar Ceylon weer in dienst genomen; er waren toen ongeveer 2000 Mardijkers. In 1777 waren er vijf compagnieën (echter inlandsche Christenen genoemd); in 1794 nog maar vier, waarvan in 1797 twee, die slechts 35 man sterk waren, bij de Europeesche schutterij werden ingedeeld 3), zoodat zij dus in behandeling het dichtst bij de Europeanen stonden.

Men verwarde de Mardijkers vaak met de Papangeré en met de Mixtiezen. Deze Papangers of Pampangers waren afstammelingen van door de Spanjaarden uit de provincie Pampanga op het eiland Luzon (Noord-Philippijnen) veel gebruikte en ook naar de IVLolukken overgebrachte krijgshaftige Inlandsche slaven. Te Batavia worden zij het eerst in 1633 vermeld, bij den aanleg van het ,,Bandaneesch kwartier", daar toen een stuk grond zou worden verhuurd of verkocht aan ,,Bandanesen, Japonders, Pampangers ende andere vrye Indiaensche burgeren" 4), waaruit blijkt dat zij dus vrije lieden waren. In het Daghregister worden zij het eerst vermeld in

1) In 1674 bedroeg het aantal Mardijkers 5362 man, zoowel in de stad, als buiten Batavia. In 1675 was dit getal gestegen tot 5855; in 1677 waren er 6140 Mardijkers te Batavia en in 1681 vinden wij een getal van 5554 Mardijkers vermeld (Daghregister 1674, pag. 27; 1675, pag. 50; 1677, pag 62 en 1681, pag. 795.).

2) Realia II, pag. 12.

3) Oud-Batavia § 960, pag. 519.

4) Oud-Batavia § 170, pag. 96 en § 953, pag. 514.

Sluiten