Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1668, als afzonderlijke compagnie van 80 man *). Twee jaar later wordt weer een compagnie Papangers vermeld te Batavia 2), in 1672 de „Pampangos Compagnie" genoemd3). Reeds in 1676 werden zij met de ChristenAmbonneezen in één compagnie vereenigd, zoodat zij toen ook wel Christenen zullen zijn geweest. Wordt in 1693 van een gemengde compagnie van Bandaneesche, Pampangsche en Boetonsche soldaten gesproken, bij Dr. de Haan lezen wij, dat de Papangers in 1702 met de Bandaneezen werden vereenigd onder een Mohammedaanschen Kapitein, zoodat zij gaandeweg hun nationaal en Christelijk karakter hebben verloren en zij, ook door onderlinge huwelijken, een mengelmoes zijn gaan vormen 4).

Ondanks deze samensmeltingen van de Papangers met andere compagnieën, vinden wij sinds 1740 wederom een Papanger-compagnie vermeld, waaronder ook de Mooren ressorteerden, zoodat ook deze compagnie een gemengd karakter droeg. Of deze Papangers dezelfde lieden waren, die in 1702 met de Bandaneezen waren vereenigd of die in 1693 de gemengde compagnie van Bandaneezen, Papangers en Boetonners vormden, is ons niet gebleken. In 1741 en 1792 werden Papangers als betaalde garnizoenssoldaten in dienst genomen te Batavia, ten einde de wachtdiensten van het Europeesch garnizoen te verlichten, waaruit wij zouden kunnen afleiden, dat zij vóór 1741 geen soldatencompagnieën vormden 5). In 1795 werd de burgerlijke Papanger-compagnie voor den duur van den oorlog aan het gezag van den Kolonel der Burgerij onttrokken en werd zij onmiddellijk onder de Regeering gesteld, waardoor zij feitelijk geen burgers meer waren en in dezelfde verhouding als

*) Daghregister 1668, pag. 126.

2) Daghregister 1670, pag. 131.

3) Daghregister 1672, pag. 368/69.

4) Zoozeer was hun Christelijk karakter verloren gegaan, dat de Bandaneesche moskee, ook wel de ,,Papangersche tempel" werd genoemd. (Encyclopaedie van N.I. deel III, 2e druk, pag. 295 en Oud-Batavia § 886, pag. 480 en § 954, pag. 516.).

5) Realia III, pag. 22 en Oud-Batavia § 962, pag. 520.

3

Sluiten