Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Mooren*).

De Bataviasche Mooren worden al in 1633 vermeld; er was toen nl. een „Moorsch quartier" aan de westzijde van de groote rivier. Reeds vroeg bewoonden zij de wijk, waar thans de Arabieren van Hadramaut zijn gevestigd. Deze „Mooren" waren echter toen geen Arabieren, maar Mohammedaansche Klingaleezen 2). Inden Compagniestijd is de laatste naam echter weinig gebruikt; men noemde hen Mooren en begreep er tevens de bewoners van de Malabarkust onder. In de Compagniesgeschriften ontmoet men vaak den naam „Jentieven", waaronder te verstaan zijn de niet tot den Islam behoorende Klingaleezen. Godsdiensttwisten kunnen er niet geweest zijn, want in 1704 verzochten zij gezamenlijk een burgercompagnie te mogen vormen. De vorming van deze compagnie had echter plaats in 1751 en in 1753 werd een Kapitein over hen benoemd, die in 1774 tot Majoor werd bevorderd. Hadden de Mooren reeds vroeg een kleine moskee, tusschen 1744 en 1748 werd een tweede voor hen gebouwd, waaruit wij zouden kunnen afleiden dat in die jaren vele Mooren naar Batavia zijn gekomen3). Volgens Dr.de Haan zijn na den Chineezenmoord in 1740 vele Moorsche handelaars naar Batavia gekomen tengevolge van de vernietiging der Chineesche handelsconcurrentie. Dat zij geen Arabieren waren, blijkt wel duidelijk uit het feit, meent Dr. de Haan, dat in 1803 de Majoor der Mooren zijn naam nog in Tamilkarakters teekent.

c. Japanner*).

De Japanners vormden in de zeventiende eeuw een belangrijk element van de Vreemde Oosterlingen. In 1612 waren reeds Japanners in Compagniesdienst, met pijl en

*) Zie over de Mooren: Oud-Batavia § 899-903, pag. 487-488.

2) De naam „Clingen" komt al in 1620 te Batavia voor; zij waren de eigenlijke bevolking van Kalinga, de Koromandelkust benoorden Paliacate.

3) Interessant is, lezen wij bij Dr. de Haan, dat de Mooren, toen zij vergunning tot dezen bouw vroegen, de klacht aanhieven dat zij in de ,,massigits of tempels van andere natiën" zoo getreiterd werden.

Sluiten