Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1820 bij een besluit van Commissarissen-Generaal *), een „algemeen register van alle mannelijke Europeanen of afstammelingen van dien..., die ingezetenen van Nederlandsch-Indië zijn" samengesteld.

In groote trekken hadden wij toen dus twee groepen: de Europeanen en hun afstammelingen eenerzijds en de Inlandsche bevolking anderzijds, terwijl bij de indeeling het eerst werd gedacht aan den godsdienst. Bij de reorganisatie van het rechtswezen op Java 2) waren de „Chinezen, Mooren, en andere vreemde natiën met de Inlandsche bevolking gelijkgesteld", daar zij evenals de Inlanders voor de landraden moesten terechtstaan. De Inlandsche Christenen werden in 1824 blijkbaar nog tot de groep der Inlanders gerekend en moesten ook voor den landraad verschijnen; het Hooggerechtshof besliste evenwel in 1839 en nogmaals in 1850, dat een Christen-Inlander „enkel en alleen omdat hij Christen was", voor den Raad van Justitie behoorde terecht te staan, en niet voor den landraad 3).

De Regeerings-Reglementen van 1827, 1830 en 1836 hebben elk twee artikelen, van dezelfde strekking als die van 1818. Ter uitvoering van artikel 102 van het Reglement van 1827 werd in 1828 een Reglement op het houden van Registers van den Burgerlijken Stand voor Christenen en Joden in ^Nederlandsch-Indië vastgesteld ). Bij de uitvoering van dit voorschrift deden zich eenige vragen voor, die in 1829 door den Commissaris-Generaal bij besluit werden beantwoord en waarin getracht werd een oplossing te geven 5).

Allereerst rees de vraag of ook de Christen-Inlanders van Dèpok en Toegoe en die buiten Java aan dit Reglement onderworpen waren. Volgens S. 1829 : 93 was dit wèl het geval, voor zoover betreft die van Dèpok en Toegoe, daar het zegt, dat „alle Christenen, op Java,

!) S. 1820: 47.

2) S. 1824: 4. , .

3) Zie Recht in Indië, deel 4, pag. 114 en 115; vgl. ook Mr. Prins, pag. 659 en Mr. Hekmeijer, pag. 20.

4) S. 1828: 50.

8) S. 1829: 93.

Sluiten