Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A.B. x), uit te zonderen van die bepaling, maakte de Gouverneur-Generaal van zijn bevoegdheid een zóó ruim gebruik, dat hij bij art. 3 der Overgangsbepalingen2) de Inlandsche Christenen „geheel en al in hunnen tegenwoordigen regtstoestand" liet en ,,zulks met dien gevolge, dat, voor zoo ver zij thans met inlanders zijn gelijkgesteld, alle de in de nieuwe wetgeving omtrent deze laatsten gemaakte bepalingen ook op hen zullen toepasselijk zijn". Vergeten werd echter te verklaren in hoeverre zij „thans" (d.i. 1 Mei 1848) met Inlanders waren gelijkgesteld, waardoor, naar Mr. Prins terecht beweert, hun feitelijke positie beslissend bleef3). De Inlandsche Christenen bleven bij de inwerkingtreding van art. 10 A.B. en art. 3 Ov. onderworpen aan het Oud-Hollandsche en Romeinsche recht, dat bij de invoering van de nieuwe wetgeving was afgeschaft.

Met Hekmeijer zijn wij van meening, hoewel op anderen grond, dat de onderscheiding bij de wetgeving in 1848 gemaakt, feitelijk de oude in Christenen en Onchristenen was. Volgens hem was de godsdienst niet meer het criterium der geheeLe verdeeting, maar verdeelde men eerst naar den landaard en daarna naar den godsdienst 4).

Maar waar kwam de geheeLe verdeeling op neer? Volgens art. 6 A.B. verdeelde men de ingezetenen in twee groote groepen, nl. de Europeanen en de Inlanders, en bedoelde daarmede de oude indeeling in Christenen en Onchristenen te willen handhaven. Art. 7 A.B. stelde alle Christenen met Europeanen gelijk en art. 8 A.B. de Arabieren, Mooren, Chineezen en alle Mohammedanen en

1) Staatsraad Jhr. Mr. H. L. Wichers zegt op pag. 328 van zijn Rapport (Het Recht in Indië, dl 13, pag. 319 e.v.): ,,Volgens de eenstemmig op dit punt gegevene inlichtingen staan de tot de Inlandsche bevolking behoorende Christenen over het algemeen,ten aanzien van hunne ontwikkeling en beschaving op geen hoogeren trap, dan de overige Inlanders", (oorspr. niet gecursiveerd.)

2) S. 1848 : 10.

3) Mr. Prins t.a.p. pag. 663.

4) Hekmeijer pag. 33, noot. ,,Op de eerste (nl. verdeeling naar landaard) is eene uitzondering voor Inlandsche Christenen", zegt hij, ,op de laatste eene voor Chineezen, Mooren en Arabieren".

Sluiten