Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heidenen, dus alle Onchristenen, met Inlanders. Dit kwam neer op een geheele indeeling in Christenen en Onchristenen, alleen het werd niet met die woorden gezegd, zoodat dus de godsdienst wel degelijk als criterium voor de geheele verdeeling was aangenomen.

De meening van Hekmeijer, dat men de Europeanen aan de Christenen had moeten gelijkstellen om de oude onderscheiding te kunnen handhaven, gaat m.i. niet op, daar men dan zou uitgaan van ,,Christenrecht" en de Europeanen daaraan had moeten onderwerpen. Door nu, zooals in art. 7 A.B., ,,alle Christenen met Europeanen gelijk te stellen, wilde men alle andere Christenen met hen gelijkstellen, daar de Europeanen niet met zichzelven konden worden gelijkgesteld, zoodat men dus voor oogen had, alle Christenen in één groep onder te brengen, in tegenstelling met alle anderen, die dan Onchristenen

waren. .

Terwijl nu ten aanzien van de Inlandsche Christenen werd bepaald, dat zij „voorloopig" zouden blijven in hun oorspronkelijken rechtstoestand, bleef een zoodanige bepaling voor de zich inmiddels vormende groep van Arabieren, M.ooren, en Chineezen, die het Christendom beleden, achterwege. Zij behoorden, ingevolge art. 7 A.B. tot de met Europeanen gelijkgestelden. Volgens Mr. Prins laten de woorden „alle" en ,,anderen van art. 8 A.B. dienaangaande geen twijfel over 1).

Het beginsel, in art. 7 A.B. neergelegd, der gelijkstelling van alle Christenen met Europeanen, heeft in de praktijk nimmer gewerkt, daar zoowel de Algemeene Bepalingen als de Overgangsbepalingen tegelijkertijd —1 Mei 1848 — in werking traden 2).

x) Zie Mr. Prins op pag. 662.

2) Zie Mr. Ch. W. Margadant, Art. 109 van het R.R.

Sluiten