Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

DE INDEELING DER BEVOLKING ONDER HET REGEERINGS-REGLEMENT VAN 1854

De historische ontwikkeling van het op deze materie betrekking hebbende art. 109 R.R. *) is reeds vele malen besproken 2); wij zullen ons bepalen tot een bespreking van het artikel zelf.

Schreef de wetgeving van 1848 een indeeling der ingezetenen in hoofdgroepen voor, bij de vaststelling van het Regeerings-Reglement veronderstelde men deze indeeling toen bekend 3). Wel wordt in art. 109 R.R.

x) S. 1855 : 2 (Ned. S. 1854 : 129).

2) Men zie over artikel 109 R.R.: Keuchenius, art. 109 R.R.,de Louter, 6e druk pag. 132 e.v.; Margadant, pag. 265—303; Nederburgh, Wet en Adat deel I, pag. 197 e.v.; Mr. Kleintjes, Staatsinstellingen I, 3e druk pag. 80 e.v. en 6e druk, pag. 105 e.v.

3) Ter illustreering van deze „bekendheid" diene, hetgeen Hekmeijer op pag. 46 zegt over de behandeling van art. 109 R.R. in de Tweede Kamer: „Slechts de heer van Eek had in de Tweede Kamer aanmerkingen op de redactie. Hij vroeg nl. of in de wet niet zou moeten worden vastgesteld, wie Inlanders zijn. „Ik zie dat met Europeanen worden gelijkgesteld Christenen, en met Inlanders, Arabieren, Mooren, Chineezen en allen die Mohammedanen of Heidenen zijn. .Maar wat Inlanders zijn wordt nergens gezegd. De eenigen, die overblijven zijn Israëlieten".

De Minister antwoordde hierop: „dat de Israëlieten, daar zij vallen onder alinea 3, behooren onder „alle personen niet vallende in de termen der volgende zinsnede" en dus met Europeanen zijn gelijkgesteld. Met Inlanders wordt bedoeld de inheemsche bevolking, in tegenstelling van de Europeanen of daarmede gelijkgestelden. Men heeft de ingezetenen van Ned.-Indië gesplitst in twee groote categorieën. Het is de zelfde verdeeling, die ook nu bestaat en die in acht is genomen bij de tegenwoordige wetboeken".

Toen de heer van Eek nogmaals vroeg, wie eigenlijk Inlanders zijn, omdat zij niet zijn Europeanen, Christenen noch Arabieren, Moo-

Sluiten