Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moeilijkheden bij de toepadAng van art. 109 R.R. De redactie van art. 109 R.R. heeft tot verschillende uitleggingen aanleiding gegeven, waardoor de Regeeringsopvatting en ook de jurisprudentie werden beïnvloed.

Margadant leest lid 2 van art. 109 R.R. zoo, dat met Europeanen worden gelijkgesteld:

le alle Christenen \ niet vallende in de termen der der2e alle personen I de zinsnede,

zoodat de in het derde lid van art. 109 R.R. genoemde Arabieren, Mooren en Chineezen, mochten zij Christenen zijn, niet tot de met Europeanen gelijkgestelden behooren, daar zij wèl vallen in de termen van de derde zinsnede.

Ook Hekmeijer2) is deze meening toegedaan. Een Chinees, Arabier of Moor, overgaande tot het Christendom, behoort volgens hen tot de met Inlanders gelijkgestelden. Een Christen-Afrikaan evenwel voldoet aan alle vereischten van lid 2 en is daarom met Europeanen gelijkgesteld. Voor de met ^ Inlanders gelijkgestelden nemen zij dus tweeërlei criteria aan: voor de Arabieren, Mooren en Chineezen het landaardcriterium en voor de twee laatste categorieën, de Mohammedanen en Heidenen het criterium van den godsdienst. JVIarcella ) noemt het volgens de wetgeving van 1854 „twijfelachtig..., of de tot het Christendom bekeerde Arabieren, Mooren en Chineezen met Europeanen moeten worden gelijkgesteld", zoodat hij dus bovengenoemde meening

was toegedaan.

Daartegenover staan de meeningen van de Louter ) en Nederburgh 5), dat nl. de in het derde lid vermelde Arabieren, Mooren en Chineezen als voorbeeld zijn genoemd. Zij komen tot de volgende uitlegging van het tweede lid: met Europeanen worden gelijkgesteld:

le alle Christenen; .

2e allen, die niet vallen in de termen der derde zinsnede.

1) Margadant pag. 276 e.v.

2) Hekmeijer pag. 48 e.v.

3) Marcella pag. 131 e.v.

4) Handboek 5e druk pag. 25, 6e druk, pag. 135, e.v.

6) Wet en Adat I, pag. 227 e.v.

Sluiten