Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter niet kende, zoodat zij feitelijk geen waarde had 1). Onder de Inlandsche Christenen moeten dan ook de andere Christen-Oosterlingen niet worden begrepen, daar zooals Hekmeijer zegt, „het „Inlander" zijn een feitelijk begrip is, dat b.v. bij een Chinees nooit kan voorkomen" 2). Het Hooggerechtshof beschouwde daarom in 1883 als Inlandsche Christenen „de inboorlingen, landzaten van de eilanden van den Oost-Indischen Archipel 3), tot het Nederlandsch grondgebied behoorende, die het Christendom beleden.

In een arrest van 27 Januari 1885 deelde het Hooggerechtshof de opvatting van Margadant en stelde „elk Christen, niet vallende in de termen van het derde lid van art. 109 R.R... onafhankelijk van zijn nationaliteit"4) met Europeanen gelijk. Op 20 October van datzelfde jaar was het Hooggerechtshof daarentegen van meening, dat Cbineesche Christenen in denzelfden rechtstoestand verkeerden als de Inlandsche Christenen. De Chineesche Christenen werden geacht het Christendom te belijden op den voet van Inlandsche Christenen 5). Deze opvatting, om de Vreemde Oosterlingen, die het Christendom belijden, tot de met Inlanders gelijkgestelde personen te rekenen, heeft meer en meer ingang gevonden 6).

M.r. C. van Vollenhoven brengt de Christen-Vreemde Oosterlingen eveneens onder de met Inlanders gelijk-

1}_„Men zou dus kunnen spreken", zegt Mr. Nederburgh, „van „Christelijke met Inlanders gelijkgestelden" of van „met Inlanders gelijkgestelde Christenen", hoewel dit m.i. tegenstrijdige termen zijn: daar men — niet Inlander zijnde, juist op grond van zijn Christendom met Europeanen is gelijkgesteld (alinea 2), kan men moeilijk met Inlandsche Christenen worden gelijkgesteld op grond dat men, ware men geen Cbruten, met Inlanders zou zijn gelijkgesteld en dus( ?), Christen zijnde, met Inlandsche Christenen gelijkgesteld is . ( Wet en Adat I, pag. 236, noot)

2) Hekmeijer. naer. 4 en 5.

') Recht in Indië dl. 42. pag. 207. ') Recht in Indië dl. 44 pag. 182. ') Recht in Indië dl. 45 nsir 320

') Zie b.v. Mr. Carnentier Altine-. Omnrldairon i„ j i_

O Q o A £1 1 1 v.*»*.., i G U1UH,

pag. 34, 2e druk, pag. 107 e.v. en de dissertatie van G. van Faber, pag. 21 25. Vgl. ook Mr. Kleintjes, Staatsinstellingen I, <$e druk, pag. 84-85.

Sluiten