Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestelde personen, niet als voorstander Tan een der genoemde opvattingen, maar „omdat immers een kens moet worden gedaan x).

Gelijkstelling met Europeanen.

Van de bevoegdheid, hem bij het laatste lid van ar . 109 R R. gegeven, om uitzonderingen te maken op de toepassing val de in dit artikel gestelde regels, heeft de Gouverneur-Generaal sinds 1871 gebruik gemaakt.

is het instituut der gelijkstelling met Europeanen, dat het aanzijn heeft geschonken aan de groep van^aatsblad-Europeanen" 2). In den aanvang heeft de gelij stelling vrijwel alleen plaats gehad ten aanzien vanlnlandsche Christenen, tusschen 1871 en 1882 in totaa 1 5 waarvan in 18763) één van een niet-Cbrióten-Lerz aan. Hiewel'ofgens den tekst van art. 109 R.R. de geh,kstelling ook zonder verzoek had kunnen plaats vinden is zij altijd geschied op verzoek van den betr.0^ene'^^

verzoeker moest voldoen aan bepaa de vereischten Zoo

werd in 1882 bij gouvernementsbesluit bepaald, dat de verzoeker in het bezit moest zijn van een geslachtsnaam, tegen welks aanneming geen bezwaar mocht bestaan ). Bij een alg. maatregel van bestuur van 1883 werd de termijn, genoemd in artt. 7 en 8 van het Burgerlijk Wetboek na welken die naam kon worden verleend, van drie jaren gebracht op één jaar en drie maanden °). Het vooracb^ van S. 1882 : 156 werd bi) gouvernementsbesluit in 1883 ingetrokken 6) en bij ordonnantie van 30 juli 1 werd bepaald, dat alleen met Europeanen kon worden gelijkgesteld degene, die in het wettig bezit was van een geslachtsnaam of dien naam na verkregen toestemming van den Gouverneur-Generaal had aangenomen ).

de betrokkenen wel „Staatsblad-Europeanen werden genoemd.

3) ZieS. 1876 : 162.

*) S. 1882 : 156.

8) S. 1883 : 190.

6) S. 1883 : 191.

') S. 1883 : 192.

Sluiten