Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den er nog toe te behooren x).

De minderjarige kinderen, geboren vóór de gelijkstelling, zijn m.i. Inlanders door afstamming van een Inlander en blijven Inlanders. Na hun meerderjarigheid kunnen zij, desgewenscht zelf om gelijkstelling verzoeken. Gelijkstelling van minderjarigen kon niet plaats hebben 2), evenmin zoolang de opvoeding van den verzoeker niet voltooid was (Bb. 4998). De meerderjarigheidsleeftijd is in 1901 van 23 op 21 jaar gebracht3).

De kinderen, geboren na de gelijkstelling, zijn staatsrechtelijk ook Europeanen door afstamming van een „Europeaan".

Hoewel in de praktijk alleen gelijkstellingen met Europeanen hebben plaats gehad, was gelijkstelling met Inlanders volgens de bewoordingen van art. 109 lid 5 R.R. ook mogelijk. Echter werd in 1877 afwijzend beschikt op het verzoek van een Europeaan om met Inlanders te worden gelijkgesteld 4). Dat men voor gelijkstelling met Inlanders niets gevoelde, blijkt wel uit de gedachte, in Bijblad 4260 neergelegd, dat nl. Vreemde Oosterlingen, ook al voerden zij den ótaat van InLander en al beleden zij het Mohammedaansch geloof, tóch niet als Inlanders werden aangemerkt. Waar men met den persoonlijken staat van den betrokkene hier geen rekening hield, had men, consequent redeneerende, dien staat bij de gelijkstelling met Europeanen ook niet in het geding mogen brengen. Ofschoon geen gelijkstelling in den zin van art. 109 lid 5 R.R., was daarentegen in 1874 uitgemaakt, dat een veertigtal Paranakan-Chineezen van Soemenep (M.adoera), die tot dusverre waren beschouwd als Vreemde Oosterlingen maar geheel en al den staat van Inlanders voerden, Inlandsche namen droegen en zich als Inlanders kleedden, behoorden tot de Inheemsche bevolking en als Inlanders moesten worden aangemerkt. De Regeering grondde deze uitspraak ten eerste op den feitetijken toestand der betrokkenen en

*) Vgl. Wet en Adat, I, pag. 247 e.v.

2) Bb. 4258.

3) S. 1901 : 194 jo. S. 1901 : 353.

4) Koloniaal Verslag 1878, pag. 67.

Sluiten