Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brieven van wettiging door de Gouverneur-Generaal verleend, geven de artikelen 274 en 275 B.W. eenige voorschriften. Art. 275 B.W. staat de wettiging toe van natuurlijke en wettelijk erkende kinderen, „geboren uit eene moeder, die tot de Inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking behoort, indien de moeder is overleden, of indien er gewichtige bezwaren — ter beoordeeling van den Gouverneur-Generaal — tegen het huwelijk der ouders bestaan".

Door de erkenning en door de wettiging volgt het kind, zoowel publiek- als privaatrechtelijk, den staat van zijn vader; de bepalingen voor Europeanen zijn voortaan ook op hem van toepassing.

Gemengde huwelijken.

Behalve door den overgang tot den Christelijken godsdienst van den met Inlanders gelijkgestelde of door de gelijkstelling met Europeanen, kan nog overgang in een andere bevolkingsgroep plaats hebben, zij het alleen ten aanzien van de vrouw, wanneer zij nl. een gemengd huwelijk aangaat. Dit laatste evenwel eerst sedert 1898.

A. 1848. Tusschen 1848 en 1898 werden de gemengde huwelijken — huwelijken tusschen personen in Neder landsch-Indië aan verschillend recht onderworpen —beheerscht door art. 15 der Overgangsbepalingen. Volgens dit artikel moesten personen, behoorende tot de Inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking, die met Europeanen of daarmede gelijkgestelden in het huwelijk wilden treden, zich vooraf bij afzonderlijke akte onderwerpen aan het geheele Europeesche burgerlijk en handelsrecht. Deze onderwerping bracht alleen verandering in den privaatrechtelijken toestand van den Inlander of met dezen gelijkgestelde, hij werd dus niet met Europeanen gelijkgesteld; dit kon alleen door den Gouverneur-Generaal geschieden volgens art. 109 lid 5R.R. De Inlandsche vrouw, met een Europeaan huwende, bleef publiekrechtelijk Inlandscheen ook de Europeesche vrouw, met een Inlander in het huwelijk tredende, bleef tot haar landaard behooren, zoodat de vrouw dus niet den staat van den man volgde.

Sluiten