Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een vraag die zich bij deze onderwerping (art. 15 Ov.) voordoet is, of de Inlander die zich heeft onderworpen, verplicht is tot beerendierut. Dit is wèl het geval bij individueelen heerendienst, maar in streken, waar dien plicht „als een servituut op den grond wordt aangemerkt, rust zij uitsluitend op gronden, waarop Inlanders het gebruiksrecht hetzij individueel, hetzij communaal, dan wel het erfpachtsrecht hebben, en aangezien... iemand die aan het Europeesche burgerlijk en handelsrecht is onderworpen, zoodanige zakelijke rechten niet op den grond kan uitoefenen, is het ook feitelijk onmogelijk, dat hij wegens bedoelde rechten heerendienstplichtig zou zijn" *).

De kinderen volgden den rechtstoestand van den vader, zoodat b.v. de zoon van een Inlander of met dezen gelijkgestelde, uit een gemengd huwelijk geboren, wanneer hij met een Europeesche of met deze gelijkgestelde vrouw in het huwelijk wilde treden, zich evenals de vader moest onderwerpen aan het Europeesche burgerlijk en handelsrecht volgens art. 15 Ov. Was de vader een Europeaan of met hem gelijkgestelde, dan deden zich te zijnen aanzien geen moeilijkheden voor. Bij een zoodanig huwelijk, waarbij de vrouw zich had onderworpen, kon een moeilijkheid ontstaan door de ontbinding van het huwelijk door den dood van den man. Daar Van den Berg aanneemt, dat de onderwerping bij de huwelijksontbinding ophield, kon de moeder geen voogdes zijn over de eventueel minderjarige kinderen. Was zij Chineesche, dan had zij volgens haar „godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken" recht op voogdij onder bepaalde voorwaarden. Had huwelijksontbin-

dienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken, voor zoover die niet in strijd waren met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid; deze lieten echter de erkenning van natuurlijke kinderen door den vader niet toe, wat in strijd werd geacht met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid. Op deze overwegingen werd de genoemde erkenning rechtsgeldig verklaard en was de zoon, daar hij den staat van zijn vader volgde en dus tot den Afrikaanschen landaard behoorde, door het belijden van den Christelijken godsdienst reeds gelijkgesteld met Europeanen volgens art. 109 lid 2 R.R.

1) Praeadvies enz. Mr. v. d. Berg, pag. 28.

Sluiten