Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat der kinderen, bedoeld bij art. 11, niet worden betwist „indien die kinderen het uiterlijk bezit hebben van hun staat en de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd" (art. 12). Volgens de toelichting op het ontwerp *) zouden deze kinderen anders „naar recht en wet, den staat missen, waarin zij zijn opgevoed en welke ook feitelijk de hunne is". Ook deze kinderen volgen dus den staat van den vader.

aardige gevallen voor, zooals b.v. bij de Makassaren en Boegineezen, die een adat-huwelijk met kinderverdeeting kennen. Van deze kinderverdeeling weten wij, dat het oudste kind van de moeder is, „terwijl het tweede aan den vader komt, het derde weder aan de moeder vervalt, het vierde aan den vader enz." (Zie Prof. Wilken, Opstellen over Adatrecht, pag. 88 e.v.). Wanneer nu een Europeaan met een Makassaarsche vrouw een zoodanig adathuwelijk sluit — zij verkiest dit nl. boven een huwelijk volgens het B.W. daar zij dan Makassaarsche kan blijven — dan wordt de regel der kinderverdeeling ook op dit huwelijk toegepast. Het gevolg is, dat het eerste, derde en vijfde enz. kind den staat der moeder volgt en Inlander is, terwijl de Europeesche vader het tweede, vierde enz. kind, dat zijn staat volgt en ook Europeaan is, zal erkennen en aangeven bij den Burgerlijken Stand. Wij krijgen hier het merkwaardige geval dat van volle broeró en ziuterj de één Europeaan en de ander Inlander is, wat niet belet dat zij beiden de zelfde opvoeding krijgen. (J. Servaas: „Reisindrukken uit Makassar ' in Tropisch Nederland le jaargang 1928/29, pag. 364-365 en C. Lekkerkerker: „Een merkwaardige toepassing van de adat der kinderverdeeling bij de Makassaren", in Mensch en M.aatschappij 6e jaargang 1930 pag. 293.). Een groote moeilijkheid kan zich echter voordoen, wanneer het aantal kinderen oneven is, daar volgens Wilken dan het jongste kind aan beide ouders toebehoort.

l) T.a.p. pag. 41.

e

Sluiten