Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groote moeilijkheid die sinds den Compagniestij d heeft bestaan, om een scheiding tusschen de landaarden duidelijk aan te geven, heeft de wetgever omzeild, niet door voor te schrijven wie Europeanen, Inlanders oi Vreemde Oosterlingen zijn, maar door te zeggen wie aan de bepalingen voor Europeanen, wie aan de bepalingen voor Inlanders en wie aan de bepalingen voor Vreemde Oosterlingen zijn onderworpen. Hij verdeelt de personen die ongeveer dezelfde rechbbehoeften hebben, in drie categorieën. Ongeveer dezelfde rechtsbehoeften, wan de personen, die nu in de derde groep, die der Vreemde Oosterlingen, vallen, hebben niet alle dezelfde rechtsbehoeften. „Welke sociale en rechtsgemeenschap is er tusschen die volken, met andere beroepen, anderen godsdienst?", vraagt Mr. Carpentier Alting *).

De wetgever zegt in art. 1 van de wet van 1906 (nu art 163 I.S.) voorzichtig: „Wanneer bepalingen van deze wet, van algemeene en andere verordemngen... onderscheiden tusschen Europeanen, Inlanders en Vreemde Oosterlingen, gelden voor hare toepassing de navolgende regelen". Dus alleen dan, wanneer wettelijk onderscheid wordt gemaakt, geldt genoemde bevolkingsindeeling. De tekst van de artt. 2 en 3 van de wet van 1906 is ten onrechte niet in de Indische Staatsregeling opgenomen, zoodat deze materie nu ook nog buiten de Indische Staatsregeling behandeling vindt. In ..Vierentwintig ontwerpen over Indisch Ree ) v wordt dan ook voorgesteld om de ''ov5^ngsbepalingen" van de artt. 2 en 3 van de wet van 1906 in art. 109

R.R. op te nemen en naast de „andere verordeningen in lid 1 van art. 109 R.R. ook de „verdragen met Indische vorsten en volken" te vermelden, daar deze in 19 blijkbaar zijn vergeten.

In genoemde „Vierentwintig ontwerpen enz." vinden wij twee verschillende ontwerpen van art. 109 (redac-

1) „Het Rassencriterium", lezing voor het Indisch Genootschap op 16 Dec. 1921, pag. 184 e.v.

2) Zie de redacties A en B, pag. 11 en 1*.

Sluiten