Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geldt ten aanzien van het materieel privaatrecht voor de Inlanders hun adatrecht, op het adatrecht der Vreemde Oosterlingen is sinds 1855 ^ belangrijk inbreuk gemaakt. Zoo werd in laatstgenoemd jaar bij ordonnantie het voor Europeanen geldende burgerlijk en handelsrecht, met uitzondering van het familie- en erfrechtbij versterf, toepasselijk verklaard op alle Vreemde Oosterlingen op Java en Madoera 2). Tusschen 1874 en 1907 is de werking dezer ordonnantie uitgebreid tot een groot gedeelte der Buitengewesten. Door de onduidelijkheid van haar bepalingen voldeed de regeling van 1855 niet in alle opzichten. De in 1892 afgekondigde regeling van den privaatrechtelijken toestand van de Chineezen (S. 1892: 238) werd evenwel niet geschikt geacht en de inwerkingtreding daarvan onbepaalden tijd uitgesteld. In 1896 is nog een poging gedaan deze materie te regelen door den voor dat doel ter beschikking van den Directeur van Justitie gestelden rechterlijk ambtenaar Mr. P. H. Fromberg; zijn ontwerp heeft het staatsblad

i\ S 1855: 79; Zie hierover Rechtsbedeeling 2e druk, pag. 58 e.v. en Mr. Kleintjes, Staatsinstellingen II, 6e druk. pag. 248 e.v. Bij de invoering van de nieuwe wetgeving in Nederlandsch-Indie (1848) heeft zich meermalen de vraag voorgedaan of het nieuwe recht — met name het B.W. - uitsluitend was geschreven voor Europeanen, of dat ook de niet-Europeanen daaraan zouden moeten worden onderworpen. Mr. H. L. Wichers, wien was opgedragen den Gouverneur-Generaal bij de invoering van de nieuwe wetboeken bij te staan, heeft achtereenvolgens niet minder dan drie ontwerp-besluiten ingediend, waarbij de Europeesche wetg ving op de Inlandsche en daarmede gelijkgestelde bevolking zou worden toepasselijk verklaard. Als resultaat van de vele besprekingen en adviezen dienaangaande, is in 185o besloten, om Europeesche burgerlijk en handelsrecht uitsluitend op de Vreemde Oosterlingen toepasselijk te verklaren, en de Inlanders in het genot van ïun adaLcht te laten. (Zie Mr. J van Kan, in Indisch Tijdschrift v.h. Recht, deel 124 (1926), pag. 449 e.v.)

2) Volgens art. 9 van S. 1855: 79, zooals het oorspronkelijk luidde, behoorden de zgn. „overwalsche Inlanders , die zichi dus ophielden buiten de streek, waar zij thuis behoorden en indenXom pagniestijd bijzondere bescherming genoten (zie Hooidstuk 1, pag. 15), tot de groep der Vreemde Oosterlingen (vg . r.

burgh in „Moederland en Koloniën", 1918, III, pag. 10).

Sluiten