Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mr. C. van Vollenhoven meent terecht, „dat de aangegeven verdeeling van de onderdanen in drie groepen schuilt, niet in het woord „onderdanen", maar in de woorden „inheemsch" en „uitheemsch („uitheemsch nog weer gesplitst in Nederlandsch en niet-Nederlandsch)". Het eenige verschil van de nieuwe indeeling met de oude is, dat „thans de Europeaan-niet-Nederlander, die nochtans Nederlandsch onderdaan is... uit rubriek 1, die der Europeanen, is overgebracht naar rubriek 3, die der uitheemschen" en dat de toepasselijkverklaring (gelijkstelling) „voor de nieuwe indeeling niet meetelt"1)Bij de laatstelijk gehouden Volkstelling (1930) is, op één uitzondering na, de wettelijke onderscheiding gevolgd, voor het onderbrengen van alle personen in de drie bevolkingsgroepen. Vreemd doet het aan, dat in 1930 nog gesproken wordt van „Europeanen en daarmee gelijkgestelden", een benaming, die sinds 19l0 niet meer op een wettelijken grondslag rust. Tot deze groep worden in den ruimsten zin des woords gerekend te behooren: Nederlanders, Duitschers, Engelschen, Belgen, Amerikanen, Japanners, Egyptenaren, Armeniërs, Turken e.a. Ook de Inlanders en Vreemde Oosterlingen op wie de bepalingen voor Europeanen toepasselijk zijn verklaard", zijn in de tellijsten voor Europeanen opgenomen, met uitzondering van de „gelijkgestelde Chineezen, die op afzonderlijke lijsten zijn geteld. Alle vrouwen, die gehuwd zijn met mannen, die tot de bovengenoemde categorieën worden gerekend, zijn als Europeesche beschouwd, terwijl de Europeesche vrouwen, met een niet-Europeaan gehuwd zijnde, tot de groep worden gerekend, waarbij de laatste geacht wordt te behooren 2).

1) Mr. C. van Vollenkoven, Staatsrecht Overzee, pag. 89-91

en 100. . , _

2) Definitieve Volkstellinguitkomsten 1930, deel VI, Europeanen

in N.I., pag. 1, 15 en 77.

Sluiten