Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI

HET LOSLATEN VAN HET RASCRITERIUM

_ De wenschelijkheid tot opheffing van het rascriterium is in de eerste twee decenniën van deze eeuw meermalen betoogd. Zoo beveelt de Herzieningscommissie van 1918 in haar verslag (1920) de opheffing van het rasonderscheid aan, maar wenscht die opheffing te beperken, volgens de toelichting op art. 6 van het ontwerp van wet op de Landsordening van Nederlandsch-Indië, tot benoembaarheid tot ambten, het genot van staatkundige rechten en de belastingen 1).

Tot regent b.v. zou dus voortaan ook een niet-Inlander benoemd kunnen worden. „De Regeering blijft echter vrij", zegt de Commissie, „om voor een bepaald ambt, hetzij een Europeaan, Inlander of Chinees meer geschikt te achten . De Commissie wil wel het rascriterium opheffen als grondslag voor rechten en verplichtingen, maar niet het volkenkundig verschil tusschen de verschillende groepen. Zij baseert deze opheffing op hare meening, dat „ten opzichte van de Indische maatschappij als geheel beschouwd, het meer en meer volkomen onverschillig is tot welke der drie groepen men behoort. De maatschappelijke invloed, de beteekenis van het individu ten opzichte van de gemeenschap laten zich niet meer bepalen naar factoren ontleend aan ras of godsdienst; gansch andere factoren werken daarop thans in en allengs meer en meer; de economische kracht, de verstandelijke ontwikkeling, de zedelijke beteekenis

*) Verslag Herzienings Commissie, pag. 154 e.v.

7

Sluiten