Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het individu bepalen te zamen hier te lande.welke waarde het individu voor de gemeenschap heeft _ ).

Prof. Stibbe daarentegen is van meening, dat juist „de economische kracht en de zedelijke beteekenis van het individu in het algemeen niet onafhankelijk staat van ras en godsdienst". „Het natuurlijk ras-onderscheid bestaat" gaat hij verder, „en laat zich niet weg-theoretiseeren". Hij is evenwel vóór de opheffing van het rascriterium daar, waar zij kunstmatig in stand wordt gehouden, waar zij niet in de natuur der dingen wortelt.

Opheffing van ongemotiveerde bevoorrechting of achterstelling van eenige bevolkingsgroep", zegt hij, „kan niet anders dan toejuiching verdienen ). Ook de Gouverneur-Generaal Idenburg stond dit soort opheffing voor en wilde alleen de bepalingen met landaardverschil behouden, daar „waar zij kennelijk nut doen^ ). Waar deze bepalingen van nut zijn, b.v. op agrarisch gebied, ten aanzien van het adatrecht, het instituut der adoptie bij de Chineezen, de samenstelling van den regents chapsraad enz. kan men daar wel spreken van principieel ras-onderscheid? Zijn deze bepalingen ontstaan alleen omdat men wenschte te differentieeren naar landaard? Neen, deze bepalingen immers vinden Kaar oorsprong in het feit, dat een bevolkingsgroep „qna bevolkingsgroep deze bijzondere behoefte heeft . De adoptie is den Chineezen b.v. toegestaan met „omdat zij ,Vreemde Oosterlingen" zijn, doch omdat een oociaalaodédienétige behoefte een dergelijke uitzondering in hun belang noodzakelijk maakt" <). Wij zien dus bij de beoordeeling van de wenschelijkheid tot opheffing van het rascriterium onderscheid gemaakt tusschen de bepalingen, waar het in voorkomt krachtens principe, en die, waarin het noodig is om in speciale behoeften te voorzien. De differentieering is ontstaan doordat men rekening moest houden met de heterogeniteit der bevolking

2) Le^hi'g9van^Prof. D. G. Stibbe in Moederland en Koloniën

^Zi^Mr.^.^aïVollenhoven, Staatsrecht Overzee, pag. 95. 4) De Kat Angelino dl. I, le gedeelte, pag. 505.

Sluiten