Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en geenszins om de differentieering zelve x).

Wordt het rascriterium uit de Indische Staatsregeling gelicht, m.a.w. heeft unificatie van recht over de geheele lijn plaats, op welken grondslag moet dan die rechtsgelijkheid worden opgetrokken?

Prof. Carpentier Alting acht het privaatrecht en het agrarisch recht door een eventueele opheffing van het rascriterium niet in gevaar gebracht. „Intrekking van het artikel (art. 109 nieuw R.R.) en erkenning van de rechtsgelijkheid der „rassen", impliceert niet opheffing van het volksrecht op dat gebied" 2). Maar door artikel 109 R.R. (nu artikel 163 I.S.) in te trekken, heft men het onderscheid in Europeanen, Inlanders en Vreemde Oosterlingen niet op, want art. 163 I.S. gebiedt geen indeeling van de bevolking in bevolkingsgroepen, het geeft slechts aan wat onder die termen moet worden verstaan, wanneer dit onderscheid wordt gemaakt. Het laat de mogelijkheid tot unificatie volkomen open. Evenmin als art. 163 I.S. schrijft het daarmede nauw samenhangend art. 131 I.S. (over het burgerlijk-, handels- en strafrecht) differentiatie naar landaard voor. Ook laatstgenoemd artikel laat den weg tot unificatie geheel vrij 3). De wenécheiijkheid tot unificatie over de geheele lijn wordt door Prof. van Vollenhoven niet groot geoordeeld. „De leuze van rechtsgelijkheid-zonder-meer", zegt hij, „leidt tot een van tweeën, of, eenerzijds, zij... (laat) de rasverschillen... voortbestaan, doch (noemt) ze alleen niet meer,... of anderzijds, het wordt een rechtsgelijkheid op Europeeschen, on-Aziatischen, on-Indonesischen grondslag . Hij acht het beste, „de rechtsgelijkheid voor Indië op te trekken op Indonesischen grondslag" 4).

Reageerend op het Verslag der Herzieningscommissie

*) Vgl. Prof. E. Moresco, in Kol. Tijdschrift, 1928, pag. 409.

2) Het Rassencriterium, lezing, pag. 198.

3) Vgl. Prof. E. Moresco in Kol. Tijdschrift, 1928, pag. 225 e.v. pag. 388 e.v. en pag. 658 e.v.

4) Het Rassencriterium pag. 203 e.v.

7*

Sluiten