Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet alleen ten aanzien van de rechterlijke betrekkingen, maar ook voor andere betrekkingen bij den burgerlijken dienst in Nederlandsch-Indië is het ras-onderscheid bij de benoeming verdwenen. Zoo is bij Koninklijk Besluit in 1913 *) bepaald, dat tot genoemde betrekkingen benoembaar zijn allen die Nederlandsch onderdaan zijn op den voet van de wet op het Nederlandschonderdaanschap van 1910 2), „onverminderd de aan de bekleeders van speciale betrekkingen in verband met haar bijzonder karakter te stellen eischen van Nederlanderschap of landaard". Overigens moeten gegadigden vanzelfsprekend voldoen aan de vereischte voorwaarden van bekwaamheid voor het bekleeden van bepaalde ambten. Bij ordonnantie is in 1930 de regeling van 1913 door een nieuwe vervangen, welke in beginsel

aan de oude regeling gelijk is 3).

Zelfs voor het lidmaatschap van den Raad van lndie is in 1926 het vereischte van Nederlanderschap vervangen door dat van Nederlandsch onderdaanschap, zoodat nu ook Inlanders of Vreemde Oosterhngen leden van den Raad van Indië kunnen zijn. Toen in.19-9 ) de Regeering ook eenige Inheemsche leden m den Raad wilde opnemen, is het aantal leden met twee uitgebreid en zijn met ingang van 1 Januari 1930 twee Inlandsche leden aan

aan den Raad van Nederlandsch-Indië toegevoegd.

Alleen voor het ambt van Gouverneur-Generaal en dat van Luitenant-Gouverneur-Generaal geldt nog het vereischte van Nederlanderschap.

b. Toelating en vediging in Nederlandtck-Indie 5).

De toelating in Nederlandsch-Indië van „Nederlanders, andere Europeanen en met dezen gelijkgestelden

1) S. 1913: 658.

2) S. 1910: 296 (Ned. S. 1910: 55).

3) S. 1930: 401.

6) Zie hierover'; Mr. Kleintjes, Staatsinstellingen !, 3e druk, pag. 65 e v en 6e druk pag. 83 e.v. en „De publiekrechtelijke toestand ^ Vreemde Oosfeifingen in N.I." door E. Zorab, pag. 5-24.

Sluiten