Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1) de wouw of Reseda Luteola;

2) de Lotusboom of eksterbesboom.

Lotos medicago arborea. Van deze laatste zegt Plinius — Hist. Nat. boek 16 — par. 124 —: Cortice pelles tingunt, radice lanas of vertaald: met zijn schors verft men huiden met zijn wortels wol. Omtrent de Wouw „lutum" vindt men bij Plinius — Hist. Nat. 23) dat men daarmee onder toevoeging van aluin „chrysocolla een basisch kopercarbonaat kan verven: „want dit heeft, evenals linnen en wol, de geschiktheid, de kleurstof aan te nemen. Het Chrysocolla werd omgezet in eene smaragd-groene schildersverf. Herba supra dicta pingiturque, antequam pingat" d.w.z.: geverfd voordat het dient om te schilderen.

Elzenschors wordt heden ten dage nog in sommige dalen van Grauwbunderland gebruikt om wol zwart of grijs te verven onder medewerking van ijzerzouten. 24)

Sap van boschbessen (vaccinium) werd in Gallië gebruikt om de kleeren der slaven purperrood te verven. 25).

De bast van groene noten — Juglans regia — bevat tengevolge van oxydatie met lucht-zuurstof:

Juglon = 5 — oxy — 1 — 4 — napthochinon.

Plinius Hist. Nat. boek 15 — par. 87, schrijft hierover: „Met haar schil verft men wol en met de pas te voorschijn komende nootjes maakt men het haar bruin, een wijze van handelen, waarop men door het bruin worden der handen, waarmee men de vruchten vasthoudt, kwam."

Wat nu de verfstoffen van dierlijken oorsprong betreft moet nog even vermeld worden dat de cochenille pas na 1492 in Mexico en Centcaal-Amerika gevonden werd. In 375 kwam de groote volksverhuizing en gingen de meeste ervaringen op ververijgebied in Europa verloren evenals meer andere cultuurgoederen. Slechts in het toenmalige Byzantium bleef een gedeelte voor het nageslacht behouden. Verder bleef in de kloosters de ververij en tevens de drukkerij van stoffen in beoefening zij het dan verborgen voor de buitenwereld. Ook de Turken hebben aan de overlevering meegewerkt. In Adrianopel bleef de roodververij met meekrap Rubia tinctoria

23) Plinius. Nat. His. boek 33 par. 87, 91.

24) P. Ruggli — l.c. pag. 278.

25) Plinius — Hist. nat. — boek 16 — par. 77.

Sluiten