Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bushel and ashes by the barreland their wold18) by the stone". Hier is dus sprake van weede, asch (potasch) en van wouw.

In de 13e eeuw hadden de wevers in Engeland het recht de door hen geweven stoffen te verven met iedere kleur behalve met weede. Toen nu de Koningin Regentes, Blanca van Castilië aan dit recht het privilegie toevoegde van het gebruik van weede in twee werkplaatsen, ontstond er in 1268 verzet van de zijde der ververs t®). Dit werd door een koninklijke ordonnantie bijgelegd. Onder de regeering van Edward II in 1326 kochten de Vlamingen en Brabanters in Engeland al de kaardendistels op, benevens boter, meekrap, weede en vollersaarde en alle andere zaken die behoorden tot de lakenindustrie „in order that they may disturb the staple and the common profit of the realm." Twintig ton werden verscheept, daarna werd de uitvoer stopgezet 20).

De Vlamingen deden al het mogelijke om de opkomst der industrie in Engeland te verhinderen. In Frankrijk wordt de weede het eerst vermeld in het Capitulare de Villis van Karei den Groote naast vlas en wol. Dit was omstreeks 742—814. Verder komt er een aanhaling voor uit den tijd van Lodewijk de Vrome 814—840. Destijds werden weede en meekrap door zekere dorpen aan de vrouwen geleverd die het spinnen en verven bezorgden voor het Koninklijk paleis21). In Frankrijk werden twee varieteiten van de Isatis verbouwd. Een soort had gladde bladeren en de andere soort had behaarde bladeren. De later te bespreken weede ballen werden: cocs. coques of cocaignes genoemd en werden hoofdzakelijk gemaakt in Languedoc. Het district werd geheeten: pays de cocaigne. De weede der bladharige plant noemde men „Pastel Bour" of „Bourdaigne' . Ze werd minder in qualiteit geacht.

De bladeren van de weede werden op vijf verschillende tijden van den groei geplukt. De laatste keer werd de stengel en

18) of weid Reseda luteola.

19) Unwin — Industrial Organization in the 16 th and 17 th centuries — (1904) — page 33.

20) Close — Rolls, 1323 — 7 — p — 565; H. T. Riley, Memorials of London and London life — (1868) — p. 149—150. Liber Albus, ed. by H. T. Riley — p. XCV (1859).

21) „ad genicia nostra, sicut institutum est, opera ad tempus dare faciant id es linum, lanam, waisdo, 6 c—" Capitulare de Villis C. 43 ed. ƒ. P. Migne, Patrologia Latina, XCVII p. 354. G. Hagi — Flora von Mitteleuropa — IV (I) pag. 198.

Sluiten