Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gedeelte van den wortel mee verzameld. De qualiteit van den laasten pluk werd hierdoor minderwaardig. Men noemde deze weede: Pastel Maroquin. In Italië 22) vinden wij de ververij het eerst aangehaald in 1096 in de geschiedenis van Florence. Ze wordt daar zelfs vóór de weverij vermeld. In dien tijd was de weverij huisvlijt en werd beoefend door de huisvrouwen. In 1212 ontstond een gilde van ambachtslieden uit de lakennijverheid.23).

De ververs werden onderverdeeld in:

a) tintori di guado; b) tintori d'arte maggiore; c) tinton d arte minore24). De tintori di guado vormden de hoogste klasse en werden het beste betaald. De tintori d'arte maggiore gebruikten meekrap en andere roode verven. De tintori d'arte minore gebruikten Lotus corniculatus. De bladeren dezer plant waren in gedroogden toestand blauw. De plant behoort evenals de Indigofera tot de Leguminosae. De verfstof was groen of leemkleurig 25). De textielindustrie nam reeds vroeg een hooge vlucht in Florence. Reeds in de 13e eeuw bezat de stad een „weede beurs", „fondacus guadi". Ze lag in de buurt van San Peiro Scheraggio bij het Palazzo Vecchio26). In 1386 werd ze uitgebreid. Het gilde kreeg de beschikking over een stuk land langs den Arno tusschen de Ponte Vecchio en de Ponte alle Grazie bij het Castello Altofonte. Daar werd een complex gebouwen opgericht waarvan de weedebeurs de voornaamste was. Een „tiratoio (volmolen) en een „purgatorio (wasscherij) vormden nevengebouwen27).

De weedebeurs was de verplichte opslagplaats voor deze verfstof. De meekrap, de potasch en de andere grondstoffen voor de ververij werden er slechts toegelaten. Men vindt tegenwoordig nog te Florence in de buurt van de Ponte alle Grazie het Corso dei Tintori.

Hier volgt nu een opgave van de districten in de verschillende landen waar de Isatis op meer uitgebreide schaal voor den handel geteeld werd.

22) R. Davidsohn — Geschichte v. Florenz. — lp. 784.

23) R. Davidsohn — Geschichte v. Florenz. — I p. 784 e.v.

24) A. Doren — Florentiner Wollentuchindustrie — (1901) — p. 311— 506.

25) A Pratt — Flowering Plants of Great Britain — 1889 — I p. 193. 2B) J. B. Hurry — The woad plant and its. dye — lc. — p. 158.

27) Item pag. 160.

Sluiten