Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de natuurindigo vooral in de Oost-Indische indigo komt een roode verfstof het „indigorood" voor. Dit geeft aan de blauwgeverfde stoffen een speciale nuance. Bij lichtblauwe stoffen doet het de groenachtige tint verdwijnen. Tot hetzelfde doel bevatte de weedekuip meekrap. Schunck 56) heeft de stof onderzocht en later heeft von Baeyer57) hem synthetisch opgebouwd door reductie van isatinechloride en ook door condensatie van isatine met indoxyl in tegenwoordigheid van soda-oplossing. Von Baeyer sprak van „Indipurpurine" en „Indirubine". Schunck en Marchlewski 58) beweren nu dat beide stoffen identiek zijn en dat ze formule I hebben omdat ze niet in alkaliën oplossen en niet geacetyleerd kunnen worden.

De Nederlandsche chemici hebben hier zeer verdienstelijk werk geleverd met hun onderzoek omtrent het enzyme in de bladeren der Indigofera. Beijerinck 59) extraheerde de fijngemalen bladeren met alcohol-water mengsels in afdalende sterkte, te beginnen bij 96 %. Hij hield een wit poeder over, dat het enzym nog bevatte. Dit was onoplosbaar in water, zeer weinig in glycerine en iets beter in 10 % oplossing van NaCl en CaClo. Hij vond o.a. dat ammoniak het enzyme doodt en dat emulsine 20 kèer langzamer het glucoside splitst dan het Indigofera enzyme zelf dat doet. Hazewinkel 00) kwam in 1898 onafhankelijk van Beijerinck tot hetzelfde resultaat. Hij vond ook dat uittrekken bij 100° C of met een sublimaatoplossing het enzyme doet afsterven. Hierop berust de door hem ingevoerde bereiding te Klaten op Java. Van Romburgh 61) wees op het onoplosbare karakter van het enzyme en op de fermentatie met emulsine. Ter Meulen62) schrijft: „L'enzyme de 1'indigo est insoluble dans 1'eau". Thomas, Per-

58) Phil. Mag. (4) — 10—73; 74—288; 15—29; 17—283.

57) Ber. d. deutsch. Chem. Ges. — 12—459 (1879).

58) Ber. d. deutsch. Chem. Ges. — 28—539 (1895).

59) Versl. Kon. Ak. v. Kunsten & Wetenschappen. — 1899 — I — 120. "°. Versl. Kon. Ak. v. Kunsten en Wetenschappen — 1900 — II — 513. 61) Item 1899 — II — 344.

82) Ree. d. Trav. Chim. des Pays-Bas — 1905 — 24—444.

Sluiten