Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. ZWARTVERVERIJ.

De zwartververij in de middeleeuwen kan men het best vergelijken met de middeleeuwsche bereiding van inkt. Ongeveer 200 v. Chr. beschrijft Philo van Byzantium een geheimschrift als volgt:

„Men schreef met een oplossing van galappels, liet de kleurlooze vloeistof opdrogen en bevochtigde later de beschreven plaats met de oplossing van een ijzerhoudend koperzout. Het schrift kwam dan zwart te voorschijn" 133).

In de 15e eeuw vindt men voorschriften voor de bereiding van inkt in de archieven der kloosters, in de 16e eeuw zijn het de Italiaansche medici (artsen) die ons recepten hebben nagelaten.

De middeleeuwsche inktsoorten bevatten het onoplosbare basische galluszure ferrioxyd in suspensie. Als beschuttend colloïd werd Gummi arabicum en ook in de ververij zetmeel als roggemeel of tarwemeel aan het verfbad toegevoegd. De samenstelling der galappels van Aleppo was als volgt:

Vochtgehalte 12 %; onoplosbaar in kokend water 19.2 %: tannine 58.6 %; oplosbaar in kokend water 10.2 %. De Chineesche en Japansche galappels bevatten van 54.5 tot 77 % tannine 134).

Ook elzenbast, de schors van Alnus glutinosa werd gebruikt. Deze is rijk aan looistof l35). De aldus bereide oplossingen zijn sterk aan verschimmelen onderhevig. Is dit eenmaal gebeurd, dan heeft zich het galluszure ferrizout gevormd dat niet verder verschimmelt.

Soms werd azijnzuur aan het verfbad toegevoegd. Men had klaarblijkelijk de vorming van ferriacetaat op het oog en een daaropvolgende hydrolyse in ferrihydroxyde en azijnzuur.

Wat nu de structuur van het di-depside betreft volge hier een kort overzicht.

Schiff,3G)bereidde uit galluszuur door verhitten met POCl3 het digalluszuur, waaraan hij de volgende structuur toekent:

134) F. W. Hinrichsen — die Untersuchung der Eisengallustinten pag. 21.

135) Wehmer — Die Pflanzenstoffe 1911 — 145; Stenhouse — London Edinb. and Dublin phil. Magaz. 1843 Nr. 331: Czapek — Biochemie der Pflanzen 1905 — II — 584.

13°) Schiff — Ann. Chem. — 170 — (1873) p. 49.

Sluiten