Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk konden ze opbreken. Nu ging het vlot vooruit. Niets dan sneeuw, sneeuw en altijd maar weer sneeuw. De zeilen werden op de sleden geplaatst en die vlogen nu naar 't Westen, zóó snel dat de skiloopers haar nauwelijks konden bijhouden. Toch duurde 't nog tot den 24sten September, voordat zij het inland-ijs konden verlaten. Wat juichten ze, toen ze weer gras en mos zagen en goed drinkwater vonden ! 't Was een geluk, dat de tocht afliep, want allen leden haast onduldbare pijnen aan handen en voeten. Ze schenen op 't punt om te bevriezen.

Van den zeildoeken vloer der tent werd een bootje gemaakt, acht voet lang, vier breed en twee diep. Met dat notedopje zouden Nansen en Sverdrup naar 't Noorden varen om Gotthaab te bereiken en hulp te halen. Bamboestokken omkleed met zeildoek, dienden als riemen. Bij de minste verkeerde beweging kon het bootje omkantelen en daarom spraken ze af, zich zoo weinig mogelijk te bewegen en in 't geheel niet te spreken. Den 29sten September vertrokken ze en den 3en October bereikten de zwijgers de kolonie te Gotthaab. Wat slechts weinigen voor mogelijk hadden gehouden, was gelukt door den moed en de volharding der mannen, maar vooral door de schitterende leiding van Nansen. De expeditie moest in de kolonie overwinteren. Fridtjof gebruikte dien tijd voor de bestudeering van 't leven, de zeden en den godsdienst der Eskimo's. Hij woonde met hen in hun hutten en vergezelde hen in hun kajaks op de jacht.

Den 15den April arriveerde het schip, dat de reizigers kwam afhalen. Met droefheid in t hart zagen de Eskimo's hun vrienden gaan. Eén van hen zei tot Fridtjof : „Als ge nu weer in de groote, drukke wereld zijt, zult gij ons wel vergeten, maar wij vergeten u nimmer."

Nansen heeft hen echter niet vergeten. Daarvan getuigt zijn mooi, warm-geschreven boek : onder de eskimo's.

Sluiten