Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Muren met vensters en deuren vormen het huis. Maar de ruimte ertusschen bepaalt het wezen van het huis. LAOTSE.

Zeshonderd jaar voor Christus heeft Laotse het wezen der bouwkunst geformuleerd. Zijn formuleering was eeuwenlang van kracht en zij zal eeuwenlang van kracht zijn. Hij heeft de bouwkunst klaar gedefinieerd als een ruimtekunst, niet het gebouw, maar de door het gebouw omsloten ruimten zijn hoofdzaak. Muren, vensters en deuren zijn onderdeelen van het gebouw, het gebouw is gevolg van de ruimte, die het omsluit, de ruimte is oorzaak.

Wie bouwkunst wil leeren zien, wie haar taal wil leeren verstaan, dient uit te gaan van de ruimte. Het gebouw brengt een deel der oneindige ruimte tot begrenzing; dit begrensde deel drukt zijn stempel op hef gebouw.

Het hoofddoel van alle bouwkunst is de ruimte in het gebouw. Of wij een schuur bouwen of een kathedraal, altijd gaat het om de ruimte in die schuur, in die kathedraal. Het verschil tusschen de schuurruimte en de ruimte in de kathedraal wordt bepaald door het verschil in bestemming. Een bepaalde bestemming drukt zijn stempel op de ruimte. Elke bepaalde bestemming geeft het aanzien aan een bepaalde ruimte, deze op haar beurt aan een bepaald gebouw.

De oermensch volstond met een hol, hij had slechts één ruimte noodig voor een bepaalde stemming.

Hoe meer echter de mensch zich ontplooide, hoe meer hij zich rekenschap gaf van de dingen, die hem omringden. Hij zag zich omringd door de krachten der natuur: storm, bliksem en donder, leven en dood. Hij begon zich af te vragen: waaruit en waarom leef ik. Zijn antwoord hield altijd verband met zijn bevattingsvermogen. Hij schiep zich goden, die zijn leven beheerschten. Eerst woonden ze in 't heilige woud, later in de ruimten, die hij voor hen bouwde. Van vele goden kwam hij tot een God. De machtige kathedralen waren woonplaatsen voor dien eenen God, daarbinnen gesymboliseerd in 't altaar.

Sluiten