Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edelgrootachtbare heeren curatoren, hoog- en zeergeleerde medearbeiders in ons academisch onderwijs, leden van den Universiteitsraad, studenten en oud-studenten en voorts gij allen, die met ons de stichting van onze Universiteit zijt komen gedenken, zeer gewaardeerd gehoor l

Onze maatschappij beklaagt zich over haar economisten en menig economist beklaagt zich over zijn maatschappij.

De maatschappij, ziek als zij zich voelt en is, zoekt haar heelmeester, maar vindt hem niet. Te velen immers vindt zij, elk met eigen diagnose, elk met eigen therapie. Waar liggen de oorzaken van hare kwalen ? ; is het ziektegeval méér vertoond of is het nieuw ? ; is het van voorbij gaanden aard of sleepend ? Heeft onze samenleving vrijheid noodig of gebondenheid (en dan wat voor gebondenheid ?) in haar economisch leven ? ; doet zij wijs, voor haar ruilverkeer vast te houden aan het goud, of naar het zilver terug te gaan, of naar goud plus zilver, of alle edelmetaal te ontadelen en een in beginsel metaal-loos geldstelsel te aanvaarden? Over elk dezer vragen, vatbaar voor vermeerdering en tot allerhande schakeering en samenvoeging zich leenend, wordt heftig getwist. En dit in de kamer van den zieke, wiens toch reeds geschokte gemoedsrust in blijvenden staat van stoornis dreigt te gaan verkeeren.

Door zijn klachten heen klinken die der veelstemmige medicijnmeesters, dat naar hen, die er toch iets meer van weten dan de zieke zelf, onvoldoende wordt geluisterd.

De toestand herinnert aan het redeloos, radeloos en reddeloos van onze republiek een derdehalf eeuw geleden. Dat toen die toestand voor een beteren is geweken, zou thans méér moed geven, als ook verder de vergelijking steek hield. Helaas staan tegenover de zeven provinciën van destijds, met weldra een vertrouwden leider, thans vijf werelddeelen zonder stuur.

Sluiten