Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiende eeuw er begint te gloren, toont een beeld van zoeken en tasten. Met vraagstukken van welvaart, van voorziening in menschelijke behoeften, houdt zij zich onledig; met eenige verruiming van het gewone spraakgebruik pleegt zij dit „voortbrenging" te noemen. Op dit terrein stoot zij op velerlei, op den ruil, den landbouw en den arbeid bijvoorbeeld. Zij ontmoet er den ruil, waarvoor de gelukkige term „indirecte voortbrenging" is bedacht; langs een omweg immers voorzien de ruilende partijen elk in haar behoeften. Ook den ruil van volk tot volk, waarbij de mechaniek van het wissel- en edel-metaalverkeer haar diensten bewijst; maar de economie ziet — hier zijn we trouwens nog vóór de achttiende eeuw — deze verschijnselen nog niet in het juiste verband en komt dan tot een schatting van de beteekenis der edele metalen, die wij lateren als een overschatting hebben leeren zien, als een, zij het in het kader van dien tijd begrijpelijke, vergissing. Bij deze welbekende eenzijdigheid is het in het economisch denken niet gebleven ; befaamde leerstukken worden later de bizondere productiviteit van het agrarisch, in vergelijking met het industrieele en het handelsbedrijf, en de waardescheppende macht van den menschelijken arbeid. Beide worden weer later als eenzijdigheden onderkend. In de waardeleer vecht een tijdlang het zeldzaamheids- met het nuttigheidselement om den voorrang; eerst ruim een halve eeuw geleden is de theorie erin geslaagd, deze twee eenzijdigheden in de hoogere eenheid van het grensnut-begrip op te heffen.

Een geschiedenis als die der economie, waaruit ik hier enkele grepen deed, waarvan gij, vertrouw ik, de illustratieve waarde zult hebben gevoeld, moest haar beoefenaren voorzichtig maken. Onze wetenschap heeft nog een lang leven vóór den boeg. Wij kunnen noch mogen verwachten, dat dit een leven van stilstand zal zijn ; op verdere ontwikkeling is onze verwachting gericht. Dit echter sluit aanhoudende zelf-correctie der wetenschap in. Een toekomst te verbeiden, die het heden te boven gaat, beteekent: reeds thans de waarschijnlijkheid uit te spreken, dat eens in dit heden leemten en fouten zullen worden aangewezen, op welker bestaan wij thans wèl in het algemeen, maar niet met die precizie bedacht kunnen zijn, welke mogelijk maakt, er concrete rekening mee te houden. Wij moeten de uitspraak aandurven, dat een later geslacht hetzelfde van

Sluiten