Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstellen moest. Zijn lippen prevelden de namen van de Groote Meren.

Het moest heerlijk wezen te zwemmen en geen oever te zien. Het moest nog heerlijker zijn in het rotsgebergte rond te klimmen en geen aarde te zien. Alleen den lachenden hemel en de gulle zon.

Bernard Trentelaer hield niet van zijn land. Hij had het land aan zijn land, of meende, dat hij er het land aan had. Het was zoo klein, zoo klef en zoo nat. Zoo zelden scheurden die eeuwige regenluchten vaneen. De zon was een wel lieve, maar al te zelden gast. Zooals nu, in den herfst, was het nog wat anders. Het trieste jaargetij maakte het trieste Holland mooi. De vallende blaren herschiepen de onoogelijke, hobbelig bekeide straten, kaden en pleinen in een intense en warme kleurenweelde, als je je op een heeten zomerdag, als alles verlaten en wit van stof en dorheid is, tevergeefs wenschen zou. En dit, terwijl je nou toch eenmaal geleerd is, dat de zomer een mooi en wenschenswaard seizoen is, waarnaar je verlangen moet en waarin je vacantie krijgt, als je goed geleerd hebt; niet zenuwachtig was, toen je examen deed of je anderszins in den dienst der wetenschappen lofwaardig gedroeg.

En nu was het herfst, al lang geen zomer meer en nog geen winter. Met zijn neus op de Rocky Mountains, zijn voeten tegen den haard vol gele

Sluiten