Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I n een kleinen tuin, veel kleiner dan het park van meneer Trentelaer en tante Palmyra, hingen guirlandes van bloemen en lampions tusschen de boomen. Het was een mooie lente-avond in Mei, mild en kruidig.

Het is goed te leven, als het Mei is en mooi weer en men is jong.

En Bernard Trentelaer en Wim Kluizenaars waren nog jong en maar eenige maanden ouder, dan toen het in de klas naar rotte eieren stonk en er een arme journalist in ooms vijver viel.

Ze zaten in den kleinen tuin en keken toe, hoe hun vriend, die jarig was, de lampions aanstak. Er waren nog meer jongens uit hun klas en men sprak over het eind-examen, dat steeds dichter voor de deur stond en over den leeraar wiskunde, die weer ziek was en nu zóó erg, dat hij wel niet meer beter worden zou.

Een zusje van den jarigen vriend schonk thee. Bernard Trentelaer was de eenige, die zag, dat het een lief meisje was. Hij .had haar al vaker gezien bij vorige bezoeken, als ze hem met een vriendelijk woord, de deur opende. Doch toen was zij met haar een-en-twintig jaar, nog een dame geweest, waartegen je een verlegen: „Goeden dag, juffrouw," stottert.

De andere jongens spraken luid door elkaar.

Sluiten